Adon (Hebr.)

Van $1

    Deze pagina is overgezet naar een nieuw softwaresysteem en kan in de
    laatste versie tijdelijk worden bekeken en verder worden bewerkt op:
     
    https://christipedia.miraheze.org/wiki/Adon_(Hebr.)

    Dit artikel handelt over de Hebreeuwse woorden Adon ('heer'), Adonim ('heren') en 'Adonai' ('mijn heren'), vooral in verband met de naam van God.

    Adon ('Heer') voor mensen en engelen

    ‘Adon’ betekent 'heer' en wordt gebruikt voor een heer, meester, eigenaar, hoofd of echtgenoot; koning, regeerder of heerser. Het woord komt volgens de Strongs concordantie 287 keer voor. Het meervoud van Adon is Adonim (‘heren’). ‘Adoni’ is ‘mijn heer’.

    ‘Adon’ wordt meestal voor menselijke heren gebruikt, verder voor engelen en in enkele Schriftplaatsen voor God.

    De eerste maal komt ‘Adon’ voor in Gen. 18:12.

    Ge 18:12 Zo lachte Sara bij zichzelve, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is?

    Adon is een titel van iemand die gezag heeft. Jozef bijvoorbeeld was door God tot heer gesteld over het huis van Farao.

    Ge 45:8 Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao’s vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn ganse huis, en regeerder in het ganse land van Egypte.
    Ge 45:9 Haast u en trekt op tot mijn vader, en zegt het hem: Alzo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot een heer over gans Egypteland gesteld; kom af tot mij, en vertoef niet.

    De man die over het huis van Jozef was spraken de broers van Jozef aan als ‘mijn heer’ (Gen 43:20).
    Hanna noemde de hogepriester Eli ‘mijn heer’ (1 Sa 1:14).

    ‘Adon’ gebruikt woorden voor een man die een slaaf of dienstknecht heeft. Abrahams knecht Eliëzer noemde Abraham ‘mijn heer’ en diens zoon Izak eveneens 'mijn heer'. Jozef noemde de man in wiens huis hij als slaaf diende ‘mijn heer’ (Gen 39:8). De koning van Egypte was de ‘heer’ van de bakker en de schenker (Gen 40:1). De meester van een slaaf is een ‘Adon’:

    Ex 21:4 Indien hem zijn heer een vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochteren gebaard zal hebben, zo zal de vrouw en haar kinderen haars heren zijn, en hij zal met zijn lijf uitgaan.
    Ex 21:5 Maar indien de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan;
    Ex 21:6 Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan den post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwiglijk dienen.

    ‘Adon’ kan verwijzen naar een heerser. De broers van Jozef noemen hem de ‘heer’ van het land Egypte (Gen 42:30, 33). Juda sprak onderkoning Jozef aan als ‘mijn heer’ (Gen 44:16). De knechten van koning Saul spreken hem aan met ‘onze heer’ (1 Sam. 16:16). David spreekt koning Saul aan met ‘mijn heer’ (1 Sam 24:8).

    Jesaja zegt tot God:

    Jes 26:13 HEERE, onze God! [andere] heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst; [doch] door U alleen gedenken wij Uws Naams.

    ‘Adon’ kan verwijzen naar een vader. Rachel noemde haar vader ‘mijn heer’ (Gen 31:35).

    ‘Adon’ kan aangewend worden tegenover iemand voor wie men, nederig, ontzag heeft. Jacob noemde zijn oudere broer, bij hun weerzien, nederig ‘mijn heer’ (Gen 32:4-5, 18; 33:8, 13, 14-15).

    ‘Adon’ kan verwijzen naar een man die men acht. Abraham kocht van de hethiet Efron een begraafplaats in Kanaän. Efron noemt Abraham ‘mijn heer’.

    Ge 23:10 Efron nu zat in het midden van de zonen Heths; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen Heths, van al degenen, die ter poorte zijner stad ingingen, zeggende:
    Ge 23:11 Neen, mijn heer! hoor mij; den akker geef ik u; ook de spelonk, die daarin is, die geef ik u; voor de ogen van de zonen mijns volks geef ik u die; begraaf uw dode.
    Ge 23:12 Toen boog zich Abraham neder voor het aangezicht van het volk des lands;
    Ge 23:13 En hij sprak tot Efron, voor de oren van het volk des lands, zeggende: Trouwens, [zijt] gij het? lieve, hoor mij; ik zal het geld des akkers geven; neem het van mij, zo zal ik mijn dode aldaar begraven.
    Ge 23:14 En Efron antwoordde Abraham, zeggende tot hem:
    Ge 23:15 Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat [is] dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.

    Rebecca noemde Abrahams knecht Eliezer ‘mijn heer’:

    Ge 24:17 Toen liep die knecht haar tegemoet, en hij zeide: Laat mij toch een weinig waters uit uw kruik drinken.
    Ge 24:18 En zij zeide: Drink, mijn heer! en zij haastte zich en liet haar kruik neder op haar hand, en gaf hem te drinken.

    Sara noemde haar echtgenoot Abram ‘mijn heer’. De echtgenoot van een vrouw is haar ‘adon’:

    Ge 18:12 Zo lachte Sara bij zichzelve, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is?

    De apostel Petrus herinnert aan de aanspreking met ‘mijn heer’ door Sara.

    1Pe 3:1 Evenzo, vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, opdat, ook als sommigen ongehoorzaam zijn aan het woord, zij door de wandel van hun vrouwen zonder woord gewonnen worden,
    1Pe 3:2 wanneer zij uw kuise wandel in vrees hebben opgemerkt.
    1Pe 3:3 Laat uw versiering niet de uiterlijke zijn: het vlechten van het haar en het omhangen van gouden dingen of het aantrekken van kleren,
    1Pe 3:4 maar de verborgen mens van het hart, in de onvergankelijke versiering van de zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is voor God
    1Pe 3:5 Want zo versierden zich vroeger ook de heilige vrouwen die hun hoop op God stelden, terwijl zij aan hun eigen mannen onderdanig waren;
    1Pe 3:6 zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem ‘heer’ noemde; en haar kinderen bent u geworden, als u goed doet en geen enkele verschrikking vreest.
    1Pe 3:7 Mannen, evenzo, woont bij hen met verstand als bij een zwakker vat, het vrouwelijke, en bewijst hun eer, omdat zij ook medeerfgenamen van de genade van het leven zijn, opdat uw gebeden niet verhinderd worden.

    In het Grieks van Petrus’ brief wordt het woord Kyrion, een vorm van Kyrios (‘heer’), gebruikt.

    Vergelijk voor 'adon' voor echtgenoot verder:

    Ex 21:8 Indien zij kwalijk bevalt in de ogen van haar heer, dat hij haar niet ondertrouwd heeft, zo zal hij haar doen lossen; aan een vreemd volk haar te verkopen zal hij niet vermogen, omdat hij trouweloos met haar gehandeld heeft.
    Ri 19:26 Zo kwam de vrouw, bij het naderen van de morgen, viel neer bij de ingang van het huis van de man, waar haar heer was, [en bleef daar liggen] totdat het licht was geworden.

    Adon kan ook de eigenaar-meester van een dier zijn:

    Ex 21:32 Indien de os een knecht of een dienstmaagd stoot, hij zal zijn heer dertig zilverlingen geven, en de os zal gestenigd worden.

    Adon wordt ook gebruikt tegenover een engel. Jozua sprak een engelvorst aan met ‘mijn heer’.

    Joz 5:13  Het gebeurde nu, terwijl Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg. Zie, daar stond een man tegenover hem met een uitgetrokken zwaard in de hand. Jozua trad op hem toe en vroeg hem: Behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders?
    Joz 5:14 Doch hij antwoordde: Neen, maar ik ben de vorst van het leger van de HEER. Nu ben ik gekomen. Toen wierp Jozua zich op zijn aangezicht ter aarde, boog zich neer en zeide tot hem: Wat heeft mijn heer tot zijn knecht te zeggen?
    Joz 5:15 En de vorst van het leger van de HEER zei tot Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilig. En Jozua deed dit.

    Aan Jozua verscheen een engel van de HEER, ja, de HEER zelf. Jozua spreekt hem aan met ‘mijn heer’.

    Ri 6:11  Toen kwam een Engel des HEEREN, en zette Zich onder den eik, die te Ofra is, welke aan Joas, den Abi–ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om [die] te vluchten voor het aangezicht der Midianieten.
    Ri 6:12 Toen verscheen hem de Engel des HEEREN, en zeide tot hem: De HEERE is met u, gij, strijdbare held!
    Ri 6:13 Maar Gideon zeide tot Hem: Och, mijn Heer! zo de HEERE met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren? en waar zijn al Zijn wonderen, die onze vaders ons verteld hebben, zeggende: Heeft ons de HEERE niet uit Egypte opgevoerd? Doch nu heeft ons de HEERE verlaten, en heeft ons in der Midianieten hand gegeven.
    Ri 6:14 Toen keerde zich de HEERE tot hem, en zeide: Ga heen in deze uw kracht, en gij zult Israel uit der Midianieten hand verlossen; heb Ik u niet gezonden?
    Ri 6:15 En hij zeide tot Hem: Och, mijn Heer! waarmede zal ik Israel verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in mijns vaders huis.
    Ri 6:16 En de HEERE zeide tot hem: omdat Ik met u zal zijn, zo zult gij de Midianieten slaan, als een enigen man.
    Ri 6:17 En hij zeide tot Hem: Indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo doe mij een teken, dat Gij het zijt, Die met mij spreekt.
    Ri 6:17 En hij zeide tot Hem: Indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo doe mij een teken, dat Gij het zijt, Die met mij spreekt.
    Ri 6:18 Wijk toch niet van hier, totdat ik tot U kome, en mijn geschenk uitbrenge, en U voorzette. En Hij zeide: Ik zal blijven, totdat gij wederkomt.
    Ri 6:19 En Gideon ging in, en bereidde een geitenbokje, en ongezuurde [koeken] van een efa meels; het vlees leide hij in een korf, en het sop deed hij in een pot; en hij bracht het tot Hem uit, tot onder den eik, en zette het neder.
    Ri 6:20 Doch de Engel Gods zeide tot hem: Neem het vlees en de ongezuurde [koeken], en leg ze op dien rotssteen, en giet het sop uit; en hij deed alzo.
    Ri 6:21 En de Engel des HEEREN stak het uiterste van den staf uit, die in Zijn hand was, en roerde het vlees en de ongezuurde [koeken] aan; toen ging er vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde [koeken]. En de Engel des HEEREN bekwam uit zijn ogen.
    Ri 6:22 Toen zag Gideon, dat het een Engel des HEEREN was; en Gideon zeide: Ach, Heere, HEERE! daarom, omdat ik een Engel des HEEREN gezien heb van aangezicht tot aangezicht.
    Ri 6:23 Doch de HEERE zeide tot hem: Vrede zij u, vrees niet, gij zult niet sterven.
    Ri 6:24 Toen bouwde Gideon aldaar den HEERE een altaar, en noemde het: De HEERE is vrede! het is nog tot op dezen dag in Ofra der Abi–ezrieten.
    Ri 6:25  En het geschiedde in dienzelven nacht, dat de HEERE tot hem zeide: Neem een var van de ossen, die van uw vader zijn, te weten, den tweeden var, van zeven jaren; en breek af het altaar van Baal, dat van uw vader is, en houw af het bos, dat daarbij is.
    Ri 6:26 En bouw den HEERE, uw God, een altaar, op de hoogte dezer sterkte, in een bekwame plaats; en neem den tweeden var, en offer een brandoffer met het hout der hage, die gij zult hebben afgehouwen.

    Daniel sprak de engel die hem verscheen aan met ‘mijn heer’:

    Da 10:16 En ziet, [Een], den mensenkinderen gelijk, raakte mijn lippen aan, toen deed ik mijn mond open, en ik sprak, en zeide tot Dien, Die tegenover mij stond: Mijn Heere! om des gezichts wil keren zich mijn weeen over mij, zodat ik geen kracht behoude.
    Da 10:17 En hoe kan de knecht van dezen mijn Heere spreken met dien mijn Heere? Want wat mij aangaat, van nu af bestaat geen kracht in mij, en geen adem is in mij overgebleven.
    Da 10:18 Toen raakte mij wederom aan Een, als [in] de gedaante van een mens; en Hij versterkte mij.
    Da 10:19 En Hij zeide: Vrees niet, gij zeer gewenste man! vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk! En terwijl Hij met mij sprak, werd ik versterkt, en zeide: Mijn Heere spreke, want Gij hebt mij versterkt.

    God als Adon ('Heer')

    Het enkelvoudige Adon wordt bijna altijd voor mensen gebruikt, slechts enkele malen voor God. De eerste maal dat ‘Adon’ voor God wordt gebruikt is:

    Ex 23:17 Drie malen des jaars zullen al uw mannen voor het aangezicht des Heeren HEEREN verschijnen.

    Andere plaats:

    Joz 3:11 Ziet, de ark des verbonds van den Heere der ganse aarde gaat door voor ulieder aangezicht in de Jordaan.

    Jes 19:4 En Ik zal de Egyptenaars besluiten in de hand van harde heren, en een strenge koning zal over hen heersen, spreekt de Heere HEERE der heirscharen.

    God is de Heer der heren, de allerhoogste heer. Hij is de opperste heer van menselijke heren en van engelheren.

    De 10:17 Want de HEERE, uw God, is een God der goden, en een Heere der heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt;
    Ps 136:3 Looft den Heere der heren; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

    Merkwaardig gebruik van Adonim ('Heren')

    Adonim betekent ‘heren’ en is het meervoud van Adon, ‘heer’. De volgende twee gedeelten hebben een merkwaardig gebruik van adonim.
    In de volgende passage wordt ‘adonim’ (lett. heren), meervoud van Adon, gewoonlijk vertaald door het enkelvoud ‘heer’. Het zinsverband is dat Micha de dood van de koning van Israel in een veldslag voorzegt.

    1Kon 22:17 En hij zeide: Ik zag het ganse Israel verstrooid op de bergen, gelijk schapen, die geen herder hebben; en de HEERE zeide: Dezen hebben geen heer (lett. heren) ; een iegelijk kere weder naar zijn huis in vrede.

    De tweede merkwaardige passage is te vinden in Jes. 19. In de toekomst zullen de Egyptenaars besloten worden in de hand van harde heren (‘Adonim’). Uit het verband lijkt het te gaan om een profetische voorzegging die nog niet vervuld is.

    Jes 19:4 En Ik zal de Egyptenaars besluiten in de hand van harde heren, en een strenge koning zal over hen heersen, spreekt de Heere HEERE der heirscharen.

    Het bijvoeglijke naamwoord ‘harde’ is in het Hebreeuws in het enkelvoud, terwijl ‘heren’ in het meervoud is (‘adonim’). Wie zijn die harde heren? Hemelse wezens? De Heer Jezus die de volken met een ijzeren staf zal hoeden, en/of met zijn heiligen?

    Adonai ('mijn Heren')

    Adonai is een meervoudsvorm van Adon (‘Heer’) en betekent letterlijk ‘mijn Heren’ [1]. Het woord wordt in het Hebreeuwse Oude Testament bijna altijd alleen als titel voor God gebruikt. Het komt ongeveer 430 keer in het Oude Testament voor. De titel Adonai (‘mijn heren’) moet als één geheel worden genomen, vergelijk het Nederlandse ‘mijnheer’ [2].

    De eerste keer dat Adonai gebruikt wordt:

    Ge 15:1  Na deze dingen geschiedde het woord des HEEREN tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik [ben] u een Schild, uw Loon zeer groot.
    Ge 15:2  Toen zeide Abram: Heere, HEERE! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis [is] deze Damaskener Eliezer?
    Ge 15:3 Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn!

    De enige Schriftplaatsen waar ‘Adonai’ niet voor God wordt gebruikt zijn twee plaatsen in Gen. 19. Lot sprak de twee engelen die hem en zijn gezin kwamen redden aan met ‘mijn heren’ (‘Adonai’).

    Ge 19:1  En die twee engelen kwamen te Sodom in den avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.
    Ge 19:2 En hij zeide: Ziet nu, mijne heren! keert toch in ten huize van uw knecht, en vernacht, en wast uw voeten; en gij zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Neen, maar wij zullen op de straat vernachten.
    Ge 19:17 En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt.
    Ge 19:18 En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere!
    Ge 19:19 Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!

    Het gebruik van Adonai, 'mijne Heren', gezegd van de éne God, is merkwaardig. Net als bij de meervoudsvorm Elohim (lett 'Goden') in het Oude Testament voor de ene God, dringt zich, in het licht van de openbaring van het Nieuwe Testament, de gedachte van de drie-enigheid van God op: Vader, Zoon en Heilige Geest. Er bestaan ook taalkundige verklaringen voor de meervoudsvorm [3].

    Vanaf de 3e eeuw voor Christus wordt Gods eigennaam JHWH (‘Jahweh’: 'Hij die is') zelden meer uitgesproken en spreken de Joden in plaats daarvan Adonai uit. Adonai JHWH wordt dan uitgesproken als Adonai Adonai.
    In de door de Masoreten overgeleverde Hebreeuwse tekst van het Oude Testament zijn de klinkers van Adonai geplaatst onder de letters JHWH. Wanneer de Joden JHWH lazen, spraken ze dan ook ‘Adonai’ en vermeden zo de eigennaam van God uit te spreken. 

    Meer informatie

    De Hebreeuwse uitspraak van Adon, Adonim en Adonai is te beluisteren bij het Engelstalige artikel The Hebrew name for Lord – Adonia, op Hebrew4Christians.net.
    Engelstalig artikel The Divine Names and Titles, op TheRain.org. Dit is appendix 4 van de Companion Bible. Kort stukje over Adon, Adonai en Adonim.

    Bronnen

    Engelstalig artikel The Hebrew name for Lord – Adonai, op Hebrew4Christians.net.
    Engelstalig hoofdstuk The plural form of the term Adonai, op Messianskaforeningen.se
    Engelstalig artikel Adonaiop NewAdvent.org 

    Voetnoten

    [1] In Nederlandse correspondentie is lange tijd de aanhef Mijne heren populair geweest; de uitdrukking heeft nu een ouderwetse bijklank. Aanspreking met mijnheer is alleen gangbaar in het mondelinge verkeer. Zie artikel Mijn heren: verouderd? , op Taaladvies.net.   
    [2] Vergelijk ook het Franse monsieur (‘mijnheer’), het Franse madame (‘mijn dame’) of het Italiaanse madonna ('mijn dame') of het Hebreeuwse rabbi (‘mijn meester’). Zie het artikel Adonai, op NewAdvent.org
    [3] Voor taalkundige verklaringen, zie het Engelstalige artikel Adonaiop NewAdvent.org en het Engelstalige The Hebrew name for Lord - Adonia , op Hebrew4Christians.net

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels
     
    Reacties (0)
    U moet inloggen om een reactie te geven.

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.