Amandelboom

Van $1

    Inhoudsopgave
    1. 1. Bronnen
    2. 2. Voetnoten

    Deze pagina is overgezet naar een nieuw software-
    systeem en kan tijdelijk verder worden bewerkt op:
     
    https://christipedia.miraheze.org/wiki/Amandelboom

    Amandelboom (Lat. Prunus dulcis of Amygdalus communis Lex; Duits Mandelbaum; Eng. almond; Fr. amandier ) is een vroeg bloeiende boom of struik, die thuis hoort in West-Azië en van de oudste tijden af ook in het land van Israël veel wordt gekweekt.

    Amandelboom_Koehler_1897.jpg

    Uit: Franz Eugen Köhler, Köhler's Medizinal-Pflanzen (1897)[3] 

    De amandel is een tot de steenvruchten behorende struik en boom. Het boompje wordt doorgaans niet erg hoog, maar kan niettemin een hoogte van 7,5 meter bereiken. In tegenstelling tot de vijgeboom en de olijfboom wordt de amandelboom niet oud.

    De amandelboom heeft talrijke bruine takken en twijgen en deze brengen, uit schubbige knoppen, enkele of gepaarde, meestal zeer dicht op elkaar staande, vijfbladige bloesems voort, die bijna geen stengel hebben, terwijl de lange, lancetvormige, getande bladeren zich pas later ontwikkelen.

    Van alle vruchtbomen bloeit hij het vroegst. Hij heeft zeer mooie rozeroode bloesems, die vóór de bladeren bloeien. In Israël is de amandel de eerste boom die bloeit. In Syrie en Israël toont hij zijn volle bloemen al tegen het einde van januari en in het begin van Februari.

    Amandelboom_Bethanie_Matson.jpg

    Foto: Bloeiende amandelboom in het land Israël (ca. 1940-1945)[5]. Op de achtergrond de plaats Bethanië

    De bloemen hebben vijf bladen en zijn tot 5 cm in doorsnede. Ze hebben de vorm van een schoteltje. Het zachte rozerood van de gesloten en het wit en rood van de ontloken bloesems is de eerste liefelijke lentetooi in de overigens nog kale boomgaarden en wijnbergen. De bloemen verschijnen in Israël eind januari, begin februari. De boom heeft dan nog geen bladeren. Terwijl de andere bomen nog enige tijd in de winterslaap liggen, heeft de amandelboom reeds zijn talrijke ogen geopend, als de wachter van de komenden lentemorgen. 

    Amandelboom_bloei_Roy_Fokker.jpg

    Foto: Bloeiende amandeltak. Foto: Roy Fokker[4]

    Binnen een maand na de bloei ontwikkelen zich de groene vruchten. Midden augustus beginnen de bladeren te vallen en worden de noten geoogst. Zijn steenvrucht, die met een lederachtige huid is omgeven, bevat in zich de bekende amandelen (Gen. 43: 11). Het zijn ovale, als samengedrukte of geplette vruchten, waarvan de smakelijk zoete of bittere pit in een ziltige en broze schil of peul gehuld is. 

    Het woord 'amandel' wordt gebruikt voor de boom of voor zijn vrucht. Dat is ook met het Hebreeuwse zelfstandig naamwoord shaqed het geval. Dit komt vier maal voor in het Oude Testament (Gen. 43:11; Num. 17:8; Pred. 12:5; Jer. 1:11). Shakad, een met shaqed verwant werkwoord dat zes keer voorkomt en 'waken' betekent, duidt op de amandelbloesem (Ex. 25:33-34; 37:19-20). In Gen. 30:37 komt het Hebreeuwse woord luz voor, dat eveneens amandelboom betekent. Verder wordt luz gebruikt als plaatsnaam. Aan de Hebreeuwse naam van de boom (luz) ontleent de stad Luz, later door Jacob Beth-El genoemd, haar naam (Gen. 28:19). 'Amandelboom' wordt 'Godshuis'.

    Uit de vroege bloei van de boom verklaart zich de Hebreeuwse naam shaqed (d. i . de wakende). Deze vroegbloeiende is de wachter die de deur van de lente opent. Dit shaqed betekent echter ook de vruchten.

    Bij de eerste lentezon haast de amandelboom zich om uit te botten. In Jeremia 1:11-12 zag de profeet een amandeltak. Deze tak is een teken van Gods wakkerheid en ijver in het volvoeren van Zijn woord (Jer. 1: 11).

    Jer 1:11 Het woord van de HEERE kwam tot mij: Wat ziet u, Jeremia? Ik zei: Ik zie een amandeltak.
    Jer 1:12 Toen zei de HEERE tegen mij: Dat hebt u goed gezien, want Ik waak over Mijn woord om dat te doen.

    (HSV)

    Het Hebreeuwse woord voor amandeltak (shaqed) in vers 11 klinkt als het Hebreeuwse woord voor ‘waken’ (shoqed) in vers 12.

    Onder de staven, die Jakob te Haran in de drinkbakken legde, waren amandelstaven (Gen. 30:37, de Statenvertaling heeft hazelaars, wat onjuist is).

    Amandelen komen voor onder de beste vruchten van het land, die Jakobs zonen voor de onderkoning van Egypte meenamen (Gen. 43: 11): balsem, honig, gom, hars, terpentijnnoten en amandelen. 

    De gouden kandelaar in het Heilige van de Tabernakel had de gestalte van een amandelboom, met zes takken en knoppen en „kelken als van amandelbloemen” of „schaaltjes (gelijk) amandelnoten" (Statenvertaling), zie Exod. 25:33-34; 37:19-20.

    Aärons staf bloeide, groende en droeg amandelen in één nacht (Num. 17: 8). Normaal duurt dit proces langer dan een half jaar. Dat wonder met de dode amandelstaf bevestigde van Godswege het hogepriesterschap van Aäron. In Israël is de amandel de eerste boom die bloeit. Zo is ook Christus de eersteling uit de doden, de eerste die opstond uit de doden en als de ware Hogepriester in de hemel is aangesteld en voor ons werkzaam is. De vroegbloeiende amandelboom is een zinnebeeld van de opstanding, waarvan Christus de eersteling is. Dat Aärons staf amandelen droeg is, gezien de naam 'de wakende' (Hebr. schaqed), tevens een zinnebeeld van zijn roeping en van die van zijn nakomelingschap om wakker te zijn in het handhaven van Gods wet. 

    In Pred. 12:5 wijst de amandelbloesem zeer waarschijnlijk op het witte haar van de grijsaard. Eenmaal ontloken is de bloesem overwegend wit en verbleekt zij langzamerhand geheel. De bloesem is de enige tooi van de overigens dorre bomen. De amandelboom bloeit midden in de winter, als hij geheel van zijn bladeren beroofd is. De eerder roodachtige vleeskleurige bloesems zien er, vooral in de tijd dat zij afvallen, geheel uit als de witte sneeuwvlokken. Zo is de amandelbloesem een gepast beeld van de grijsaard met zijn uitvallende zilverwitte haren[1]. Daar het tekstverband spreekt over verval, kan in plaats van "de amandelboom zal bloeien" ook worden vertaald "de amandelboom zal worden veracht"; anderen zeggen, "afkeer veroorzaken". Sommigen denken aan de witte haren van de ouderdom welke zich haast naar het graf[2] .

    Van Klein-Azie werd de amandelboom naar Griekenland en later, na de Romeinse magistraat Cato (234-149 v.Chr.), die de amandelen nog „Griekse noten" noemt, ook naar Italië overgebracht.

    Bronnen

    Ed. Rhiem, C.H. van Rhijn (red.), Bijbelsch woordenboek voor ontwikkelde lezers der Heilige Schriften, s.v. Berg. Utrecht: Kemink & Zoon, z.j. Hieruit is op 20 juli 2012 tekst genomen en verwerkt.

    H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Eerste deel A - J. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1867) s.v. Amandelboom. Hieruit is op 20 juli 2012 tekst genomen en verwerkt.

    Lytton J. Musselman, Henk P. Medema, Laat de aarde het u vertellen; de zwijgende maar machtige boodschap van planten in het land van de Bijbel. Vaassen: Medema, 1993. 

    Voetnoten

    1. ↑ Aldus het commentaar van Dächsel, Van Lingen en Griethuijsen bij Pred. 12:5. Dit bijbelcommentaar is onderdeel van de Online Bible, een uitgave van Importantia.

    2. ↑ A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Almond. 

    3. ↑ De afbeelding valt in het publieke domein. Bron: Wikipedia. Bronpagina.

    4. ↑ De afbeelding valt in het publieke domein. Bron: Wikipedia. Bronpagina.

    5. ↑ De foto stamt uit de collectie van Matson Photo Service. Bronpagina.

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.