Antiochus IV Epiphanes

Van $1

    Deze pagina is overgezet naar een nieuw softwaresysteem en kan in de
    laatste versie tijdelijk worden bekeken en verder worden bewerkt op:
     
    https://christipedia.miraheze.org/wi...us_IV_Epifanes

    Antiochus IV Epiphanes, of korter, Antiochus Epiphanes, (ca. 215-164 v.Chr.) was van 175 – 164 v.Chr. koning van het Grieks-Syrische rijk, het rijk van de hellenistische Seleuciden.  In Daniëls gezicht van de ram en de geitebok (Dan. 8; ca. 550 v.C.) wordt hij voorgesteld als een kleine hoorn die zich groot maakt, Gods volk verdrukt, de tempel ontheiligt en de geopenbaarde waarheid neerwerpt. Onder de Seulicidische vorst brak de Makkabese opstand uit, daar hij zich bij de joden gehaat had gemaakt door in te grijpen in hun godsdienstig leven en te eisen dat zij aan de god Baäl Hasjamaïm (het Syrische equivalent van de Griekse oppergod Zeus), zouden offeren.  

    Zijn eigenlijke naam was Mitrades. Zijn bijnaam Epiphanes, ook gespeld Epifanes - in het Grieks ἐπιφανής , epiphanès - betekent verschenen [God]. 

    Antiochus-IV-Epiphanes_munt.jpg

    Fig[1]. Munt met aan de ene zijde het hoofd van Antiochus Epifanes

    Hij was de zoon van koning Antiochus III de Grote, en de broer van Seleucus IV Philopator. Zijn moeder was Laodice III. 

    Het gebied van de Seleuciden was voortgekomen uit het Grieks-Macedonische rijk en besloeg in Antiochus' tijd een groot gebied van het Midden-Oosten, met als kerngebied het huidige Syrië. Ook het land van Israël, de Libanon en delen van het huidige Irak maakten deel uit van zijn rijk. De Seleuciden bezetten het land Israël in 198 v.C. na een overwinning op de Ptolemeeën. 

    Van 170 tot 168 voerde Antiochus strijd tegen de rivaliserende Ptolemaeën in Egypte, die hij bijna wist te verslaan. Ingrijpen van de Romeinen, die met hun vloot naar Alexandrië waren overgestoken, dwong Antiochus echter onverrichter zake terug te keren naar Syrië.

    Antiochus-IV_campagnes_tegen_Egypte_Access-Foundation.jpg

    Kaart[1]: Campagnes van Antiochus IV tegen Egypte 
    (Klik op de kaart om deze te vergroten) 

    In 168 v.Chr. beval hij om het altaar van de god Baäl Hasjamaïm (het Syrische equivalent van de Griekse oppergod Zeus) op te zetten in de joodse tempel te Jeruzalem.

    Antiochus Epifanes had zich vast voorgenomen om in zijn gehele rijk, waartoe ook het land van Israël behoorde, de dienst van Zeus in te voeren; en daar hij zichzelf met deze God identificeerde, wilde hij daardoor zijn eigen aanbidding algemeen maken. Alle andere godsdiensten zocht hij met fanatieke, dikwijls aan waanzin grenzende ijver uit te roeien. Zo schafte hij ook de godsdienst te Jeruzalem af, en voerde daardoor de afgodendienst in. Deze onderneming was des te gevaarlijker, daar hem in Israël zelf een heidensgezinde richting, een helleniserende partij tegemoet kwam. Van Antiochus Epifanes dreigden dus het heilige volk en de geopenbaarde godsdienst zelfs het bestaan van een Godsrijk op aarde de allergrootste gevaren.

    Van alles wat Israël tot de komst van Christus van de macht der wereld zou lijden, is niets te vergelijken bij hetgeen Antiochus Epifanes het volk deed ondervinden. Alle vroegere wereldrijken, aan welke Israël schatplichtig was, hadden het hun godsdienstige vrijheid doen behouden, ja hen daarin zelfs beschermd en geëerd. Zo handelde Nebukadnezar (Dan. 4:31 vv), Darius de Meder (Dan. 6:27), Cyrus (Ezra 1:2 vv.), Artaxerxes Longimanus (Ezra 7:12 vv.). En zo volgens Josefus, ook Alexander de Grote. Op Antiochus moest dus lang tevoren door de profetie bijzonder worden gewezen, opdat het volk tegen zijn verleidingsvermogen en zijn aanvallen gewapend zou zijn. 

    Toen de afgod in de tempel te Jeruzalem geplaatst was, kwamen de Joden tegen deze ontheiliging van Gods huis in opstand. De Joodse priester Mattathias en zijn zoon Judas Makkabeüs leidden de furieuze joden in hun opstand tegen de Seleuciden. Antiochus, woedend over het verzet van de joden, voerde persoonlijk zijn leger aan en liet duizenden joden ombrengen. Om zijn wreedheid noemden de joden hem al gauw Antiochus Epimanes (grieks voor de gek). 

    Antiochus overleed aan een ziekte tijdens het hoogtepunt van de strijd. Judas de Makkabeeër sneuvelde in de strijd, maar zijn broer Simon wist, zo'n twee decennia na de dood van Antiochus IV, uiteindelijk onafhankelijkheid voor de Joodse staat te verkrijgen. Hij stichtte de Hasmoneese dynastie, die tot 63 v.Chr. in Judea aan de macht zou blijven.

    Na de dood van Antiochus IV werd het Grieks-Syrische rijk van de Seleuciden lange tijd door interne twisten verscheurd. Deze verdeeldheid is mogelijk een verklaring van de uiteindelijk geslaagde opstand van de joden.

    Antiochus IV werd opgevolgd door Antiochus V Eupator, die slechts twee jaar regeerde (164-162/161 v.C.), omdat hij vermoord werd door Demetrius I Soter, de zoon van Seleucus IV. Hiermee begon een tijdperk van dynastieke strijd en daarmee een tijd van verval.

    Antiochus in Daniëls gezicht

    In het derde jaar van het koningschap van de Babylonische koning Belsazar (Dan. 8:1), ca. 550 v.C., kreeg de profeet Daniël een gezicht van een ram en een geitebok. De ram met twee hoornen stelt het Medisch-Perzische rijk voor. De geitebok met één enkele grote hoorn stormt op de ram aan en verdoet hem. De geitebok is het rijk van de Alexander de Grote, de hoorn is deze Macedonische vorst zelf. 

    Da 8:8 De geitenbok maakte zich uitermate groot. Maar toen hij machtig geworden was, brak de grote hoorn af en in plaats daarvan kwamen er vier opvallende op, overeenkomstig de vier [wind streken] van de hemel.
    Da 8:9 Uit één ervan kwam een kleine hoorn tevoorschijn, die uitzonderlijk groot werd, naar het zuiden toe, naar het oosten toe en naar het sieraad[land] toe.
    Da 8:10 Hij werd groot, tot aan het leger van de hemel. Van dat leger, namelijk van de sterren, liet hij er [sommige] ter aarde vallen en vertrapte ze.
    Da 8:11 Hij maakte zich groot tot aan de Vorst van dat leger. Het steeds [terugkerende offer] werd aan Deze ontnomen en Zijn heilige woning neergeworpen.

    Da 8:12 En het leger werd overgegeven vanwege de afvalligheid tegen het steeds [terugkerende offer], en hij wierp de waarheid ter aarde. Hij deed [het] en het gelukte.
    (HSV)

    Da 8:22 En dat die afbrak en er vier voor in de plaats kwamen: vier koninkrijken zullen uit [dat] volk ontstaan, maar zonder de kracht ervan.
    Da 8:23 Aan het einde van hun koningschap, wanneer de afvalligen [de maat] hebben volgemaakt, zal er een meedogenloze koning (Letterlijk: een koning, sterk van gezicht.} opstaan, bedreven in slinkse streken.
    Da 8:24 Zijn kracht zal groot worden, maar niet door eigen kracht. Op wonderlijke wijze zal hij verderf aanrichten, het zal [hem] gelukken, hij zal [het] doen. Machtigen zal hij te gronde richten, ook het heilige volk.
    Da 8:25 Door zijn sluwheid zal hij het bedrog onder zijn hand doen slagen. Hij zal zich in zijn hart verheffen. In [hun] zorgeloze rust zal hij velen te gronde richten. Ja, tegen de Vorst der vorsten zal hij opstaan, maar zonder [mensen] hand zal hij gebroken worden.

    (HSV)

    De grote hoorn brak af (Dan. 8:8, 22) in 323 v.C., toen Alexander de dood vond. Uit diens hoorn (heerschappij) kwamen vier aanzienlijke horens, zinnebeelden van de vier koninkrijken, die uit Alexanders monarchie voortkwamen.

    Uit één van die vier aanzienlijke horens, namelijk uit het door Seleucus Nikator gestichte Grieksch-Syrische rijk kwam voort, bij wijze van een tand aan een werkelijke hoorn, een kleine hoorn, Antiochus Epifanes. Een kleine hoorn wordt hij genoemd, omdat hij wat zijn opkomst betreft, van geringe aanvang was. Als gevangene, als gijzelaar had Antiochus Epifanes enige tijd te Rome doorgebracht. Hij wordt in 1 Makk. 1:11 een zondige spruit genoemd. 

    Hij werd uitnemend groot door gelukkig gevoerde oorlogen tegen het zuiden, tegen Egypte (vgl. Dan. 11:21v.) en tegen het oosten, Perzië, Armenië en Elymaïs (1 Makk. 3:31,37; 6:1 vv.), en tegen het sierlijke land, tegen het land van Israël (Dan. 11:16; Jer. 3:19; Ezech. 20:6). 

    En Antiochus Epiphanes, die kleine hoorn, werd groot tot aan het leger (heir) van de hemel, daar hij het zelfs waagde aan Israël, het volk van God, de hand te slaan; en hij wierp er sommigen van dat sterrenleger, van de belijders van de ware God, ter aarde neer, en hij vertrad ze; hij pleegde de schandelijkste wreedheden tegen hen, om Israël geheel van zijnen godsdienst te doen afvallen (1 Makk. 1:25,30 vv., 2:28; 5:2,9 vv.). De Hebreeuwse Theokratie is de heerschappij van de God van de hemel, haar burgers zijn de sterren daarvan. 

    De kleine hoorn maakte zich groot tot aan de Vorst van het sterrenleger (Dan. 8:11), "tegen de Vorst der vorsten" (Dan. 8:25). Hij beproefde zelfs zich aan Jahweh der legermachten onmiddellijk te vergrijpen, en van God werd weggenomen het gedurig offer in de tempel te Jeruzalem, en de woning van Zijn heiligdom werd neergeworpen. "De Vorst van dat leger" is niet, de Hogepriester, zoals sommige uitleggers menen, o.a. Henry en Grotius, maar God zelf, de Koning van zijn volk. 

    Na een tweede veldtocht tegen Egypte ondernomen te hebben, en door een gezant uit Rome van de inneming van Alexandrië teruggehouden te zijn, woedde Antiochus, in verstoordheid daarover, bij zijn terugkeer, opnieuw tegen de Joden. Dat zich groot maken tegen Jahweh Elohim, wordt nader aangeduid door hetgeen volgt. Antiochus Epifanes ontheiligde de tempel en verbood het morgen- en het avondoffer te brengen. En hij verbood de Joodse godsdienst, liet het beeld van de god Baäl Hasjamaïm (equivalent van de Griekse oppergod Zeus) op het altaar van God plaatsen, schafte het offer, dat overeenkomstig de Mozaïsche instelling alle dagen gebracht moest worden, af en verwoestte het heiligdom van de God der Joden

    Het leger van de sterren, Gods volk, werd "vanwege de afvalligheid" (Dan. 8:2), om Israëls zonde te straffen en het daarvan te reinigen, "overgegeven tegen het gedurig offer", om dit af te schaffen en de heidense afgodendienst daarvoor in de plaats te stellen (1 Makk. 1:57 vv.).

    Antiochus "wierp de waarheid ter aarde" (Dan. 8:12), daar hij de boeken van Gods wet liet verscheuren en verbranden. De waarheid is de door God geopenbaarde waarheid. De Syrische koning dwong het volk om zijn eredienst in te ruilen voor de heidense gebruiken en offeranden. 

    Helaas namen vele Joden de heidense godsdienst gaarne aan en hadden zich reeds vroeger naar de heidense zeden geschikt en de voorvaderlijke godsdienst veracht; toen nu de vervolging uitbrak, gingen zij niet alleen vrijwillig tot het heidendom over, maar werden ook de aanbrengers van hun volksgenoten en de verraders van de gelovigen. 

    Antiochus werd "zonder hand verbroken" (Dan. 8:25), hij overleed aan een ziekte tijdens het hoogtepunt van de strijd. 

    Het duurde bijna vier eeuwen, dat zijn "vele dagen" (Dan. 8:26), voordat het gezicht een voorlopige vervulling zou krijgen door Antiochus Epifanes. 

    Da 8:26 Wat betreft het visioen van de avond en de morgen, wat gezegd is, dat is de waarheid. En u, houd het visioen geheim, want er komen [nog] vele dagen vóór [het gebeuren zal].
    (HSV)

    Antiochus als voorafbeelding

    De engel Gabriël maakte bekend dat het gezicht "zal zijn tot de tijd van het einde". Het gezicht van Daniël zal pas geheel vervuld worden in de tijd van het einde, vlak voor de komst van de Messias, de Verlosser van Israël. Antiochus IV Epifanes is dan ook een voorafbeelding van het Beest. De Syrische vorst is met zijn zichzelf vergodende, dweepzieke hoogmoed, en zijn vijandschap tegen God en godsdienst, een zeer eigenaardig voorbeeld van "de Wetteloze" of "de Mens der zonde" (2 Thess. 2). En evenals Antiochus staat ook de Mens der zonde in verband met afval. 

    2Th 2:3 Laat niemand u op enigerlei wijze bedriegen, want die komt niet als niet eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is, de zoon van het verderf,
    2Th 2:4 die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.
    (TELOS)

    Het Beest zal de heiligen, in het visioen door sterren voorgesteld, vervolgen. In die éne trek, dat Antiochus Epifanes als voorafbeelding van de eindtijdse vijand van Gods volk verschijnt, ligt voor de heiligen de meest volkomen onderwijzing over deze Wetteloze, en de nadrukkelijke waarschuwing met het oog op de grootheid van het te wachten gevaar en de listigheid van de vijand. Van de andere kant is daar grote troost, dat de vijand het snel over hem losbrekende oordeel niet zal ontgaan. De Heer van het heilige volk, Jezus Christus, de Vorst der vorsten, zal de Mens van de zonde verteren door de adem van Zijn mond en tenietdoen door Zijn verschijning. 

    2Th 2:8 En dan zal de wetteloze geopenbaard worden, die de Heer Jezus zal verteren door de adem van zijn mond en te niet doen door de verschijning van zijn komst;
    (TELOS)

    Bronnen

    Karl August Dächsel; F P L C van Lingen; H van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Dan. 8:8-12, 25. Hieruit is op 27 en 31 mei 2013 tekst opgenomen.

    Art. Antiochus IV, Wikipedia.nl. Hieruit is op 27 mei 2013 tekst opgenomen.

    Voetnoot

    1. ↑ Bron van de afbeelding: Wikipedia, bronpagina. Auteur van de afbeelding: Solomon, 20 maart 2005. Licentie: publiek domein.

    2. ↑ Kaart ontleend van Zaine Ridling (red.), Bible Atlas. Access Foundation. De gebruiksvergunning is: attribution, non-commercial.  

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels
    BestandGrootteDatumToegevoegd door 
     Antiochus-IV-Epiphanes_munt.jpg
    Geen beschrijving
    23.06 kB08:28, 27 mei 2013Kees LangeveldActies
    Reacties (0)
    U moet inloggen om een reactie te geven.

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.