Berouw

Van $1

    Inhoudsopgave
    1. 1. Berouw bij God
    2. 2. Bronnen

    Deze pagina is overgezet naar een nieuw softwaresysteem en kan in de
    laatste versie tijdelijk worden bekeken en verder worden bewerkt op:
     
    https://christipedia.miraheze.org/wiki/Berouw

    Berouw is een diep en aanhoudend pijnlijk gevoel, dat zich van ons meester maakt bij het besef, dat wij verkeerd gehandeld hebben. Bij berouw beseffen we één of meer daden gedaan of nagelaten te hebben, waardoor wij onszelf of anderen werkelijk benadeeld hebben. Wij wensen dat het gepleegde kwaad niet gebeurd was en verlangen herhaling te voorkomen. Berouw kan leiden tot bekering tot God.

    Berouw heeft de volgende elementen:

    • besef verkeerd gehandeld te hebben
    • vergezeld van een onaangenaam, pijnlijk gevoel
    • betreft de eigen daad of nalatigheid
    • wens dat de daad niet gebeurd zou zijn
    • wens de daad of nalatigheid te herstellen (indien mogelijk)
    • wens om herhaling te voorkomen

    Berouw_Francisco-Goya.jpg

    De tekening "Berouw" van de Spaanse kunstschilder Francisco Goya (1746-1828) toont een man die met opgeheven hoofd en verwrongen gelaat zit te bidden.
    (Foto: The Times)

    Verwante begrippen zijn spijt, leedwezen en wroeging. Berouw heeft met deze gemoedstoestanden gemeen het onaangename gevoel dat zich van ons meester maakt wanneer wij tot het besef komen, verkeerd gehandeld te hebben. “Spijt” wordt het meest gebruikt; het woord was op zeker ogenblik 1.570.000 maal gevonden door Google , het woord “berouw” 477.000 maal, “wroeging” 61.500 maal en “leedwezen” 54.400 maal (resultaat op 19 apr. 2011).

    Spijt is zwakker dan leedwezen, berouw en wroeging: bij spijt is het gevoel is minder pijnlijk, de benadeling is minder groot of ernstig. Spijt geldt dan ook hoofdzakelijk van minder belangrijke daden. Men kan spijt ook voelen over volkomen onschuldige handelingen. “Ik heb er spijt van, dat ik dit boek gekocht heb.”Achteraf beschouwd, spijt het mij toch, dat ik niet naar het concert gegaan ben.” Het woord “spijt” kan evenwel in de volksmond gebezigd worden voor berouw of wroeging. “Ik heb er vreselijk spijt van.

    Berouw is in het algemeen leedwezen over iets dat gedaan of nagelaten is; in 't bijzonder het leedwezen over de zonde. Er is een berouw dat ten onrechte zo wordt genoemd en niet meer dan spijt kan heten; het vreest wel voor de gevolgen van de zonde, maar betreurt niet de zonde zelf als zonde.

    Leedwezen is sterker dan spijt; het onderstelt vaak een daad, waardoor wij anderen verdriet of nadeel berokkend hebben, 't zij opzettelijk, 't zij door onvoorzichtigheid of onnadenkendheid. “Hij gaf mij zijn leedwezen er over te kennen, dat hij mij had moeten teleurstellen.” Leedwezen kan ons echter ook door een daad van een ander of door een toeval, dat wij aan niemand in het bijzonder wijten kunnen, veroorzaakt worden.

    Berouw is weer sterker dan leedwezen; het duidt aan, dat wij een misslag of misdaad begaan hebben, waarover wij een meer aanhoudend of duurzamer leedwezen voelen, omdat wij zelf overtuigd zijn tegen goddelijke of menselijke wetten gezondigd te hebben. “Over de grievende belediging, die hij zijn beste vriend had aangedaan, voelde hij diep berouw.” Bovendien drukt “berouw” meer dan “leedwezen” uit, dat wij die misslag of die misdaad graag ongedaan zouden maken, en laat “berouw” meestal doorstralen, dat wij een mogelijke herhaling wensen te voorkomen.

    Berouw wordt boetvaardigheid, wanneer het vergezeld gaat van de bereidwilligheid om de straf te ondergaan, die ons tot boete der overtreding en tot onze verbetering wordt opgelegd. Boetvaardigheid onderstelt dat de dader zijn vergrijp erkent. “Boetvaardigheid” wordt bijna uitsluitend ten aanzien van begane zonde tegen God gebruikt wordt. “De boetvaardige zondares.” 

    Wroeging is de hoogste trap van leedwezen over een gepleegd kwaad. Het is het knagend zelfverwijt van de misdadiger. Het is de foltering, die de misdadiger voelt, doordat zijn knagend geweten hem niet met rust laat. Er hoeft geen zucht tot verbetering te zijn. Soms is de misdadiger te verhard om zich te bekeren, terwijl hij de stem van zijn geweten niet kan onderdrukken. Wroeging kan leiden tot wanhoop. “Uit wroeging over zijn misdaad verviel hij tot wanhoop.” Wroeging kan veranderen in berouw en boetvaardigheid wanneer de zondaar inziet dat God een menslievende Rechter is, die ons op grond van het verzoeningswerk van Jezus Christus genade wil bewijzen en een nimmer gesloten weg tot vernieuwing en verbetering aanwijst.

    Men kan berouw krijgen eer de daad geheel voltooid is, ja ,terwijl nog slechts het voornemen daartoe bestaat. Men kan dus jn sommige gevallen nog bijtijds berouw hebben zodat alles hersteld kan worden. Het woord “naberouw” is verouderd en wordt niet meer gebruikt. Het diende om aan te duiden dat het berouw pas na de hele afloop van de zaak en dus te laat komt.

    Wij kunnen berouw hebben over iets dat we hebben verzuimd of nagelaten:

    Mattheüs 21:29  Hij antwoordde echter en zei: Ik wil niet! Later kreeg hij echter berouw en ging erheen.
    (TELOS)
    Mattheüs 21:32  Want Johannes is tot u gekomen in de weg van de gerechtigheid en u hebt hem niet geloofd; de tollenaars en de hoeren echter hebben hem geloofd; hoewel u dit echter hebt gezien, hebt u later ook geen berouw gehad om hem te geloven.
    (TELOS)

    Berouw wordt bewerkt door de Geest, door de ontmoeting met God. Job zei: 
    Job 42:5 Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog
    Job 42:6 Daarom verfoei ik [mij], en ik heb berouw in stof en as.
    (SV)

    De Geest overtuigt:
    Joh 16:8 En als Die is gekomen, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel;
    (TELOS)

    Berouw kan volgen op inkeer, op bezinning.
    Jer 31:19 Want nadat ik tot inkeer ben gekomen, heb ik berouw gekregen; nadat ik tot inzicht gekomen ben, heb ik mij op de heup geslagen; ik ben beschaamd, ja, ook te schande geworden, want ik heb de smaad van mijn jeugd gedragen.
    (NBG51)

    Berouw kan leiden tot bekering. Bekering volgt op of gaat gewoonlijk gepaard met berouw.
    Handelingen 3:19  Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat de tijden van verkwikking komen van het aangezicht van de Heer
    (TELOS)
    Handelingen 26:20  maar ik heb eerst hun die in Damaskus en in Jeruzalem waren en in het hele land van Judea en aan de volken verkondigd, dat zij berouw moesten hebben en zich tot God bekeren en werken doen, de bekering waardig.
    (TELOS)

    Men kan berouw hebben, enige dingen herstellen, doch zonder bekering tot God. Dit was blijkbaar het geval bij Judas, die Jezus in ruil voor geld verraadde en overleverde. Hij kreeg berouw, bracht het geld terug en beroofde zichzelf van het leven.

    Mattheüs 27:3  Toen kreeg Judas, die Hem had overgeleverd, berouw, toen hij zag dat Hij was veroordeeld, en bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug
    (TELOS)

    Paulus vreesde te moeten treuren over gelovigen die geen berouw hadden over hun zonden.
    2 Corinthiërs 12:21  dat, als ik weerkom, mijn God mij wat u betreft zal vernederen en ik zal treuren over velen van hen die vroeger hebben gezondigd en nog geen berouw hebben over de onreinheid, hoererij en losbandigheid die zij hebben bedreven.
    (TELOS)

    Berouw bij God

    In vele plaatsen van het Oude Testament wordt ook aan God berouw toegeschreven. Dit berouw van God is niet maar een menselijke voorstelling, die wij ons van God vormen, doch een heilige werkelijkheid. Het goddelijke berouw heeft echter weinig gemeen met ons menselijk berouw, dat steeds gepaard gaat met droefheid over eigen zonde. Bij God, die niet zondigen kan, is berouw zijn heilige reactie tegen de zonde, of ook een verandering van zijn handelingen of daden ten gevolge van de veranderde gezindheid der mensen. In één en hetzelfde hoofdstuk (1 Sam. 15), waar tot tweemaal toe (vs 11 en 35) gezegd wordt: "het berouwde de Heer, dat Hij Saul tot koning gemaakt had", lezen we in vs 29: "Ook liegt Hij, die de overwinning van Israël is, niet, en het berouwt Hem niet: want Hij is geen mens, dat Hij liegen zou". "Het berouwde God dat Hij Saul tot koning gemaakt had" wil dus niet zeggen, dat God zou hebben ingezien, er verkeerd aan te hebben gedaan met Saul op den troon te verheffen, maar drukt zijn droefheid uit over Saul's gedrag, zijn afkeer van de zonde, waardoor Saul zich het koningschap onwaardig had gemaakt.

    Bronnen

    Voor de eerste versie van dit lemma is gebruik gemaakt van tekst uit Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche Volk s.v. Berouw. Kampen: Kok, 1925-1931. 

    Ook is geput uit de volgende woordenboeken:
    Handwoordenboek van Nederlandsche Synoniemen (1908)
    Keur van Nederlandsche Synoniemen (1922)
    Weiland & Landré, Woordenboek der Nederduitsche synonimen (1821), band 1, blz. 310 en band 2, blz. 464.

     

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels
    BestandGrootteDatumToegevoegd door 
     Berouw_Francisco-Goya.jpg
    Geen beschrijving
    10.82 kB09:39, 19 apr 2011Kees LangeveldActies
    Reacties (0)
    U moet inloggen om een reactie te geven.

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.