Efraïm

Van $1

    Inhoudsopgave
    1. 1. Bron
    2. 2. Voetnoot

    Deze pagina is overgezet naar een nieuw softwaresysteem en kan in de
    laatste versie tijdelijk worden bekeken en verder worden bewerkt op:
     
    https://christipedia.miraheze.org/wiki/Efra%C3%AFm

    Efraïm, ook geschreven Ephraïm, was de tweede zoon van Jozef en de Egyptische Asnath. De naam wordt ook gegeven aan de stam waarvan Efraïm het hoofd was, en vervolgens ook aan het deel van het land Kanaän dat hem werd toebedeeld.

    De eigennaam Efraïm, door Jozef aan zijn zoon gegeven, betekent ‘dubbel vruchtbaar’ (Gen. 41: 52), met toespeling op Jozefs vruchtbare jaren in Egypte, aanvankelijk het land van zijn ellende, maar waarin God hem nu twee zonen had gegeven. 

    Ge 41:52 De tweede gaf hij de naam Efraïm. Want,  [zei hij], God heeft mij vruchtbaar doen worden in het land van mijn verdrukking. 
    (HSV)

    De betekenis van de naam werd later versterkt door de goddelijke belofte (Gen. 48  4v.), welke Jakob aan zijn kleinzoon in het geloof (Hebr. 11: 21), volgens de vrije verkiezing Gods, met een hogere mate van zegen dan aan diens broer Manasse gaf (18: 14-20). Want toen Israël de twee zonen van Jozef wilde zegenen, zette hij Efraïm vóór zijn oudere broer, en zei dat hij groter zou moeten zijn en dat zijn nageslacht een menigte van volkeren zou worden (Gen. 48:17-19).

    Vandaar dat Efraïm dikwijls, bijv. Openb. 7: 8, als in het eerstgeboorterecht van zijn vader geplaatst, kortweg Jozef heet.

    Jakob kan in Gen. 49: 22-26 op Efraims naam duidend nauwelijks woorden genoeg vinden, om de overvloeiende volheid van de zegen aan te tonen, die aan Efraïm en zijn broederstam Manasse is toegedacht. Evenzo worden in de zegen van Mozes (Deut. 33:13-17) beide stammen als twee hoornen van de sterke oryx (zie art. Eenhoorn) te samengevat, met zichtbare voorliefde gezegend en aan hen (vgl. 1 Kron. 9: 1 2), het door Ruben verbeurde eerstgeboorterecht van een dubbel erfdeel toegedeeld (het vorstendom Juda, het priesterdom Levi).

    Weinig wordt in de Heilige Schrift van Efraïm persoonlijk vastgelegd. Van zijn nakomelingen is Jozua, de zoon van Nun, de meest bekende.

    Nog gedurende het verblijf in Egypte richtten (1 Kron. 8: 21-23) naburige Filistijnse stammen, bij een strooptocht in Egypte (de aftrekkenden kunnen niet de Efraïmieten zijn, daar Egypte lager en zuidelijker ligt), onder Efraïm een bloedige nederlaag aan, wat de oude stamvader zeer verdroot; hij werd door de deelneming van zijn broeders en door de onverwachte geboorte van een zoon getroost.

    Ofschoon volgens het getal een van de drie zwakste stammen (Efraïm, Benjamin, Manasse; Num. 1: 33), werd Efraïm toch bij Sinai als derde hoofdbanierdrager gekozen en Manasse benevens Benjamin onder hem gerangschikt (Num. 2; Ps. 80 : 3).

    Telde de stam in het tweede jaar van de uittocht uit Egypte 40.500 strijdbare mannen, na de woestijntocht van 40 jaar was dat aantal gedaald tot 32.500 (Num. 1:33; 26:37)

    Reeds vroeger had de Efraïmiet Hosea (Jozua), als aanvoerder van een uitgelezene krijgsbende roemrijk gestreden (Exod. 17 : 9vv.; vgl. Richt. 5 : 14) en was tot opvolger van Mozes voorlopig bestemd (Exod. 17 : 14); en daar hij als verspieder geloof toonde, was daarom aan de stam Efraïm de eer geschonken om aan het gehele volk de eerste veldheer te geven.

    Bij de verdeling van het land werd dadelijk na Juda het eerste lot in het hart van Kanaän aan Efraïm en Manasse toegedeeld, zodat hun gebied wel gescheiden was, maar de een vele steden in het gebied van de ander had (Jos. 16: 9). Het grondgebied van de stam Efraïm was in het hart van Kanaän, met Manasse op het noorden, Benjamin op het zuiden, en Dan op het westen. Het land van Efraïm had prachtige valleien en edele bergen met talrijke bronnen en beken. De twee belangrijkste steden waren Silo en Sichem.

    Stammen_van_Israel (1).jpg

    Kaart[1]: ligging van het grondgebied van Efraïm
     

    Toen Efraïm, in plaats van de Kanaänieten uit te roeien, op het grotere erfdeel van Juda jaloers daarover klaagde, wees Jozua onpartijdig de klacht af en de klagers op hun eigen verzuim (Joz. 16 : 17).

    Efraïm hadden de plaats van de eerstgeborene (Jer. 31:9), daar het geboorterecht van Ruben was genomen en aan Jozef gegeven (1 Kron. 5:1-2). Altijd bleef Efraïm vooreerst de aanzienlijkste stam (Ps. 80:3 81: 6) en door de vestiging van het heiligdom (tabernakel) te Silo (Joz. 18 : 1) 300 jaren lang tot op Eli's tijd (1 Sam. 4) het middelpunt der natie.

    Efräim betoonde zich niet altijd die hoge rang onder de stammen van Israël waardig. Slechts een enkele richter, Abdon, was uit Efraïm (Richt. 12: 13 vv.); meermalen was Efraïm nalatig in de strijd voor het vaderland (Ps. 78 : 9), en de zonden der natie vielen meestal ten laste van Efraïm (Ps. 78: 56-64).

    De ontijdige jaloersheid over Gideons heldendaden werd door deze, daar hij de verdienste van Efraïm erkende, tot bedaren gebracht. Ze waren boos op Gideon dat hij hen niet eerder te hulp had geroepen; maar zijn zacht antwoord stilde hun woede (Richt. 7:24; 8:1-3).

    Toen echter 60 jaren later Efraïm, in plaats van aan Jefta's daden deel te nemen, hem met verwijten en zijn medestrijders met spot belaadde, kwamen in de door Efraïms schuld (Ps. 78:9) ontstane burgeroorlog 42.000 van Efraïm om (Richt. 12: 1-6).

    Zo werd de trotse en afgunstige stam gestraft voor het mishandelen van hun broeders, terwijl ze nagelaten hadden de heidense bewoners van het land te verdrijven (Richt. 1:29). De Efraïmieten typeren vele christenen, die in hoogmoed strijden met hun broeders, maar de geestelijke strijd tegen de boze geesten verzuimen.

    Later verliet de Heer Silo en koos, niet de stam van Efraïm, maar Juda, zowel voor de plaats van het koningschap als voor het heiligdom. Na Sauls dood viel Efraïm met het merendeel der stammen Abner en Isboseth toe, en ook na de erkenning van David bleef in Efraïm de goddeloze nijd tegen de door God verkozen koningsstam bestaan. Zo rechtvaardigde Efraïm zelf de verplaatsing van het heiligdom naar de stam Juda (Ps. 78 : 67 vv.).

    In het koninkrijk onder David en Salomo lezen we heel weinig van Efraïm, maar hij wordt twee keer genoemd in de psalmen 'de sterkte (of verdediging) van mijn hoofd.' (Ps 60:7;108:8). David wist dus Efraïm als een hoofdsteun van zijn macht wel op prijs te stellen.

    Ps 60:7 (60-9) Gilead is mijn, en Manasse is mijn, en Efraïm is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever. (SV)

    Gelijk het oproer van Absalom ten dele Efraïm tot schouwplaats had (2 Sam. 13 : 23; 18: 6), zo ging ook de tegenstander van Salomo die de afval van Israël leidde, Jerobeam, van Efraïm uit (1 Kon. 11: 26, 28).

    Van nu af wordt de naam Efraïm dikwijls voor het rijk Israël gebruikt, bijv. Jes. 7; Jer. 7: 15; 2 Kron. 25. Bij de vroegere verdeling van de stammen kreeg Efraïm de meest prominente plaats. Hieraan droegen de steden Sichem en Samaria in grondgebied bij. Dat verklaart waarom de tien stammen door de profeten voortdurend ‘Efraïm' werden genoemd. Om dezelde reden werden de twee stammen 'Juda' genoemd (Hos. 5:3,5,13,14, enz.)

    Jesaja profeteerde dat in vijfenzestig jaar Efraïm moest worden gebroken en niet langer een volk zijn (Jes. 7:8). Dit begon in 742 v.C., en Samaria werd ingenomen en Israël in 721 v.C. gevankelijk weggevoerd, zodat de profetie ongetwijfeld doelde op de planting van een nederzetting van buitenlanders door Esarhaddon in Samaria 678 v.C., toen de vijfenzestig jaar vervuld waren. Dit stemt ook overeen met de profetie die zegt dat Samaria 'het hoofd van Efraïm' is. De kolonie van buitenlanders werd in Samaria gesticht.

    Bijzonder scherp verwijt in de 8e eeuw v.C. een van de eerste profeten, Hosea, de schuld die Efraïm als hoofd van Israël, door dit volk te verleiden, op zich geladen heeft: baäldienst (Hos. 13 : 1), eigengerechtigheid (Hos 12: 9), hoofdzakelijk echter de afgodische kalverdienst met alle daaruit voortkomende zonden (Hos. 4: 2), omwille waarvan hem de gevangenschap wordt aangekondigd (9: 3; Jes. 7: 8).

    Al deze zonden en voornamelijk de zelfzuchtige zin, die niet alleen Efraïm van Juda scheidde, maar ook de onder elkaar ten nauwste verbonden stammen verteerde (Jes. 9: 21), zullen na de bekering van Efraïm ophouden (Jes. 11 : 13; Ezech. 37: 16 vv.). Het vaderlijke hart van God klopt in 't algemeen reeds voor de verdwaalden, maar nog weer voor de bekeerde Efraïm, met onbeschrijfelijke tederheid (Hos. 6: 4, 11: 8; Jer. 31; Zach. 9: 10; 10: 7), waarin de liefde van Jakob tot Jozef en zijn nageslacht haar heerlijkste verklaring vindt.

    In de toekomende tijd heeft volgens Openb. 7: 8 Efraïm onder de naam van Jozef zijn 12.000 verzegelden.

    In de profetieën aangaande de toekomstige zegen van de twaalf stammen wordt Efraïm beschouwd als de tien stammen (Ezech. 37:16-22). De twaalf stammen worden weer één natie in hun eigen land, met één koning over hen. Deze profetie is onmiskenbaar nog niet vervuld, maar zal zeker op Gods eigen tijd in vervulling gaan. In Ezech. 48 vindt Efraïm in het herstelde Israël zijn plaats tussen Manasse en Ruben, als de vijfde van het noorden af. 

    Bron

    H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Eerste deel A - J. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1867) s.v. Ephraïm. Hieruit is op 7 juni 2014 tekst genomen en verwerkt.

    A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Ephraim. Hieruit is op 7 juni 2014 tekst genomen, vertaald en verwerkt.

    Voetnoot

    1. ↑ Kaart ontleend van Zaine Ridling (red.), Bible Atlas. Access Foundation. De gebruiksvergunning is: attribution, non-commercial.   

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels
     
    Reacties (0)
    U moet inloggen om een reactie te geven.

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.