Lossen

Van $1

    Inhoudsopgave
    1. 1. Bron
    2. 2. Voetnoot

    Lossen betekent in de Schrift:

    1. losmaken van banden (Luk. 13: 15), uit de gevangenis (Ps. 146:7); in Job 39:8 betekent 'lossen': losmaken.
    2. loskopen door het geven van losgeld (bijv. Exod. 21 : 11), van de lijfeigenschap, van de dienst aan het heiligdom (Num.3:46 , 49) of van verkocht erfelijk grondbezit;
    3. de ziel lossen, verlossen (Ps. 49 : 9; vgl. Matth. 16 : 26; Mark. 8:37).

    De prijs, die betaald werd, heet losgeld, losprijs of rantsoen

    Lossen is een handeling die door de Mozaïsche wet voor Israël in verschillende gevallen is bepaald.  

    Daar de onreine dieren niet geofferd konden worden, moesten zij gelost, dat is afgekocht worden. 

    De eerstgeborene in Israël moest gelost (losgekocht, vrijgekocht) worden (Exod. 13 : 13; Num. 18: 15). De eerstgeborene zonen, voor de priesterlijke bediening bestemd, werden voor vijf sikkels daarvan vrijgesteld. 

    Uit verarming verkocht erfgoed (erfbezitting) kon gelost worden (Lev. 25:24v.).

    Losser (Hebr. Goël) heet de naaste bloedverwant, die het grondbezit in plaats van zijn bloedvriend weer inlost. In Israël moest lossing van het land worden toegestaan.

    Le 25:23 Verder mag het land niet voor altijd verkocht worden, want het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.
    Le 25:24 In heel het land dat u bezit, moet u de loskoping van het land toestaan.
    Le 25:25 Wanneer uw broeder in armoede raakt en [een deel] van zijn bezit moet verkopen, dan moet zijn losser komen die nauw aan hem verwant is, en vrijkopen wat zijn broeder heeft verkocht.
    (HSV)

    Wanneer een broeder verarmd was en iets van zijn bezitting verkocht had verkocht, dan moet zijn naaste bloedverwant komen, voor hem opkomen, en zal, naar berekening van de tijd die tot het jaar van de vrijlating nog rest (Lev. 25:27, het verkochte van zijn broeder lossen. Volgens Karl August Dächsel rust op de losser de plicht van de lossing (Lev. 25:48 vv.). Volgens de Joodse commentator Rashi daarentegen strekt het vers niet tot verplichting voor de bloedverwant om te lossen, maar geeft het slechts te kennen dat hij kán, dat hij het récht heeft te lossen, zodat teruggaaf niet geweigerd kan worden. 

    Kon de verarmde, nadat hij zijn land had verkocht, niet genoeg vermogen opbouwen om zijn verkochte erfgoed los te kopen en was er ook geen losser, dan kwam het erfgoed aan hem terug in het jubeljaar. 

    Le 25:28 Maar als hij over onvoldoende middelen beschikt om hem te vergoeden, dan blijft het verkochte in handen van de koper ervan, tot het jubeljaar toe. Maar in het jubeljaar komt het vrij en keert hij terug naar zijn bezit.
    (HSV)

    Voor verkochte huizen in een ommuurde stad gold een bijzondere regeling van lossing:

    Le 25:29 En wanneer iemand een woonhuis verkoopt [in] een ommuurde stad, dan geldt het recht op loskoping ervan tot het jaar [na] de verkoop ervan voorbij is. [Al die] dagen geldt zijn recht op loskoping. 
    Le 25:30 Maar als het niet ingelost wordt voordat het volledige jaar voor hem voorbij is, dan behoort het huis dat in de ommuurde stad staat, voor altijd hem toe die het gekocht heeft, [al] zijn generaties door. Het mag [ook] in het jubeljaar niet vrijkomen.
    (HSV)

    Voor verkochte huizen in niet-ommuurde dorpen geldt de volgende regeling van lossing:

    Le 25:31 De huizen [in] de dorpen die niet ommuurd zijn, moeten echter tot het akkerland gerekend worden. Hiervoor geldt het recht op loskoping, en in het jubeljaar komt het vrij.
    (HSV)

    Wat voor de huizen in de steden geldt, geldt niet voor die in de dorpen. Deze laatste categorie huizen wordt als onafscheidelijk gedacht van het grondbezit. De Israëlieten mogen die niet voor altijd vervreemden, maar deze moeten in het jubeljaar weer vrij worden.

    De Levieten, die als stam geen geen eigen grondgebied bezitten, maar die wel steden en daar omliggende weiden hebben, zij hebben 'een eeuwige lossing' (Statenvertaling): de loskoop geldt voor hun huizen. 

    Le 25:32 Wat de steden van de Levieten betreft, de huizen die zij in [die] steden in bezit hebben, [daarvoor] geldt voor de Levieten een eeuwig recht op loskoping.
    Le 25:33 Als [iemand] van de Levieten het vrijkoopt, dan moet het huis dat verkocht is in de stad waar zijn bezit is, in het jubeljaar vrijkomen, want de huizen van de steden van de Levieten gelden als hun bezit in het midden van de Israëlieten.

    Le 25:34 De weidegrond die bij hun steden hoort, mag niet verkocht worden, want die is voor hen een eeuwig bezit.
    (HSV)

    Door de mogelijkheid van lossing en door het jubeljaar is de verkoop van grondbezit en huizen in feite tijdelijke verpachting of verpanding.

    Tegen een bepaalde prijs kon men zich ook van zijn gelofte ontslaan (Lev. 27). Iemand die door een gelofte aan Jahweh was gewijd (toewijdingsgelofte), kon tegen betaling van zilveren sikkels worden gelost en wel volgens de onderstaande tarievenlijst (Lev. 27). Het losgeld kwam ten bate van het heiligdom. 
     

    Schriftplaats Leeftijd Voor een man Voor een vrouw
    Lev. 27:6 van een maand tot 5 jaar 5 sikkels 3 sikkels
    Lev. 27:5 van 5 tot 20 jaar 20 sikkels 10 sikkels
    Lev. 27:3-4 van 20 tot 60 jaar 50 sikkels 30 sikkels
    Lev. 27:7 60 jaar en ouder 15 sikkels 10 sikkels

    Wat als degeen die de gelofte had gedaan te arm is om het normale tarief te betalen? Ook bij deze tariefbepaling komt Gods barmhartigheid jegens de arme naar voren: 

    Le 27:8 Maar als hij te arm is om de door u bepaalde waarde [te betalen], dan moet men hem vóór de priester plaatsen, zodat de priester zijn waarde kan bepalen. Overeenkomstig wat voor hem die de gelofte afgelegd heeft, wél binnen handbereik is, moet de priester zijn waarde bepalen.
    (HSV)

    Verder wordt in het Oude Testament gewag gemaakt van het lossen van bloedschuldvan dienstknechten, die zich uit armoede verkocht hadden. Het verbannene echter kon niet gelost, maar moest gedood worden. 

    De gehele wereld bezit geen losprijs voor de ziel van de mens, die aan dood en hel ten prooi is. Opdat zij niet eeuwig verloren zou gaan, moest God een losgeld vinden en geven, gelijk Hij het in Christus Jezus gegeven heeft (Matth. 20 : 28; Rom. 3: 24; Hebr. 9: 12).

    De losser in Israël is een doorluchtig voorbeeld van Christus Jezus, die, door het aannemen van ons vlees, onze nabestaande geworden is, opdat hij het werk van de lossing voor ons uitvoeren zou[1]. Wij hadden niet genoeg voor de lossing van onze eigen ziel of voor de ziel van een ander mens, maar Christus had wel genoeg. 

    Israël verarmde door ongehoorzaamheid en verloor zijn bezit. Een rijke Bloedverwant met het recht van lossing kwam tot de zijnen (Joh. 1), maar Israël - op een klein overblijfsel na - versmaadde de Bloedverwant-Losser, en liet deze gouden kans voorbijgaan. Israël zal nu moeten wachten tot het 'jubeljaar' (vrederijk) om terug te keren naar zijn bezit. Intussen ontving het overblijfsel, dat de Messias wel aannam, een betere erfenis: een hemelse. De dag komt dat een toekomstig overblijfsel, dat alle recht op de beloften heeft verbeurd en daarom in Ruth de Moabitische zijn voorbeeld (type) heeft, zich zal werpen op de genade van Christus als de ware Boaz - de man „groot van vermogen" - en leren welk een Losser Hij is[2].

    Ook een gelovige in Christus kan tegenwoordig geestelijk verarmen, bijvoorbeeld doordat hij de geestelijke dingen heeft opgegeven voor de dingen van de wereld of de aarde. Hij hoeft echter niet te wachten tot de wederkomst van Christus in heerlijkheid. Door dezelfde Heer kan hij nu al wederom in het genot van zijn geestelijk bezit komen. 

    Bron

    H. Zeller, Bijbelsch Woordenboek voor het Christelijke volk. Tweede deel K - Z. ('s Gravenhage: M.J. Visser, 1872) s.v. Lossen. Hieruit is op 6 sept. 2013 tekst genomen en verwerkt.

    Karl August Dächsel; F P L C van Lingen; H van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (volgens de Staten-overzetting) : met in den tekst ingelaschte verklaringen en aanmerkingen van de beroemdste godgeleerden uit alle tijden (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Lev. 25:31. Hieruit is tekst verwerkt.

    P.J. Gouda Quint, Woordenboek des Bijbels, inzonderheid ten gebruike bij de Statenvertaling. Haarlem: De erven F. Bohn, 1866. Tekst van het lemma 'Lossen' is op 18 okt. 2013 verwerkt.

    Voetnoot

    1. ↑ Vgl. Patrick in het commentaar van Patrick, Polus en Wels bij Lev. 25:25.
    2. ↑ Vgl. Eclectic Notes, commentaar van C.A. Coates bij Lev. 25:25.

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels
     
    Reacties (0)
    U moet inloggen om een reactie te geven.

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.