Prehistorie-Nabije Oosten, Europa (1)

Van $1

    Inhoudsopgave
    Geen koppen

    Dit artikel sluit aan op het artikel Prehistorie-algemeen.

    Onderstaand globaal overzicht is een poging om op grond van Bijbelse informatie tot een geschiedenis van de mensheid te komen.

    SCHEPPING  tot zondvloed (Gen. 1-5), een periode van ongeveer 1656 jaar.

    De schepping laat ons Gods liefde, almacht en wijsheid zien. De mededelingen over de schepping vormen de grondslag van een christelijke antropologie. De Goddelijke Openbaring informeert de mens over zijn afkomst en zijn bestemming. De mens is niet los te denken van het gegeven dat hij door de schepping in een Schepper-schepsel-relatie geplaatst is, dat hij naar Gods Beeld geschapen en voor God verantwoordelijk is voor wat hij doet. Deze bijzondere relatie wordt gekenmerkt door liefde en aanbidding. De mens is goed geschapen, maar in zonde gevallen. God openbaart de zondige mens dat Hij hem wil verlossen van eeuwige straf door het geloof in Zijn Zoon Jezus Christus als enig redmiddel. Deze Goddelijke bekendmaking sluit alle andere verlossingsideeën uit.

    De geschiedenis van de mens in de periode van schepping tot zondvloed wordt in de Bijbel beschreven in Genesis 1-6. 

    Wat de datering van de schepping betreft, past terughoudendheid. De Bijbel geeft aan dat de periode van schepping tot zondvloed 1656 jaar beslaat. De gangbare bijbelvertalingen zijn overeenkomstig Masoretische bron. De Masoreten hadden zich ten doel gesteld de oorspronkelijke tekst van de Heilige Schrift zo zuiver mogelijk te bewaken. Een andere bron zou de Septuaginta (de vertaling in het Grieks naar de LXX) kunnen zijn. Op vele punten is de herkomst en de bron waarop deze vertaling rust, onduidelijk en omgeven met legendes. Rekening houdend met het gestelde in de artikelen Chronologie-van Noach tot Abraham, kan men voorzichtig stellen dat de schepping van het leven volgens de Bijbel niet meer dan 8000 jaar geleden plaats vond.

    4066 voor Christus  ZONDVLOED tot de alpiene gebergtevorming een periode van ongeveer 400 jaar.

    Het is goed denkbaar dat met de in de Bijbel genoemde berg Ararat (Gen. 8:4) hetzelfde gebergte wordt bedoeld als nu. Vele andere gebergten uit de regio bestonden nog niet of bevonden zich in een stadium van ontwikkeling. De Ararat als vulkanisch gebergte bestond mogelijk reeds voor de vloed en was voor de arkbewoners herkenbaar, omdat ze voor de vloed vanaf grote afstand, in de verre omtrek een bekend herkenningspunt zou zijn geweest. 

    De eerste mensen na de vloed moeten in de omgeving van de Ararat gewoond hebben en zich daarna verspreid hebben. Dat blijkt ook uit archeologische opgravingen aldaar. Menselijke resten zijn gevonden te Shanidar (Noord-Irak) en te Karmel (Israël). In de Karmel zijn als vindplaats de grotten te Mugharet es-Skhul, Mugharet et-Tabun, Mugharet al-Kabara en Jebel Qafzeh bekend geworden. De cultuur van deze mensen wordt gerekend tot het vroeg en middenpaleolithicum van het Nabije Oosten (oude steentijd). De schedels laten zowel kenmerken zien van de moderne mens als van het neanderthaler type.

    Men zal na de vloed na verloop van tijd keuzes hebben kunnen maken tussen een nomadisch voedselvergarend bestaan of een meer sedentair bestaan met een vaste woonplaats. Velen zullen gepoogd hebben het midden tussen deze twee bestaansvormen te vinden. Voedsel vergaren in combinatie met jagen op wild of voedsel verbouwen in combinatie met veeteelt is een keuze. Vanuit evolutionistisch standpunt zouden echter de 'voedselvergaarders' met een nomadisch bestaan op een lagere trap van ontwikkeling staan en in tijd vooraf gaan aan het sedentaire bestaan (vaste woonplaats hebbend).

    Nog voor het einde van deze periode van 400 jaar is de culturele ontwikkeling van de bewoners die overwegend sedentair zijn in de regio van Mesopotamië, neolitisch te noemen. Men spreekt dan van het neolithicum van het Nabije Oosten (nieuwe steentijd). Er gingen zich enkele grotere leefgemeenschappen (noem het steden) ontwikkelen, zoal Jarmo of Jericho IX. Met Jericho IX bedoelt men de onderste en oudste bewoningslaag van de oude stad, ontdekt in 1953. In Turkije kwam de neolithische stad Catal Hüyük (ontdekt in 1961 in Anatolië) tot grote bloei. In 1967 vond men aan de Donau de stad Lepenski Vir . Ze bestond uit een grote verzameling hutten.

    Ongetwijfeld zijn er eveneens in deze periode van 400 jaar mensen richting Europa getrokken. Naar het noorden toe zullen ze gestoten zijn op de Tethyszee, die zich uitstrekte van wat nu midden-Europa is tot ver in Azië. Op vele plaatsen was ze niet meer echt diep te noemen, omdat tijdens de zondvloed en daarna tijdens het mesozoïcum enorme hoeveelheden sediment de diepe delen gevuld hebben. Ca. 400 jaar na de vloed kwam dat sediment steeds nadrukkelijker naar boven vanwege tegendruk vanuit de aardmantel en botsingen met het Afrikaanse continent. Andere delen van Europa waren reeds direct na de vloed in bergachtig landschap veranderd (hercynische gebergten, zoal Eifel en Jura) door isostatische bewegingen van het aardoppervlak (zie het artikel Zondvloed en gebergtevorming). De eerste bewoners zullen jagers zijn geweest. Ze hebben in het woeste en geologisch onrustige Europa een grote hoeveelheid aan wild en plantaardig voedsel gevonden. Van hen zijn de gevonden vuistbijlen afkomstig. Een van de eersten waren de mensen van Swanscombe (aan de Theems), gevolgd door de mensen van Steinheim (aan de Murr in Duitsland). Hoewel niet altijd duidelijk is of de bijlen door de natuur zelf of door mensenhand gemaakt zijn, zijn er wel duidelijk bijlen door de mens zelf gemaakt. Deze vuistbijlcultuur heeft zich ontwikkeld tot verschillende tradities die zich zelfs waarschijnlijk nog gehandhaafd hebben tot na de alpiene gebergtevorming. De onderscheiden tradities zijn genoemd naar een van hun vindplaatsen. Men onderscheidt onder andere het Abbevillien , het Chelléen en het Acheuléen (naar de plaatsen Abbeville, Chelles en Saint-Acheul in Frankrijk). In Engeland, Frankrijk, België en Duitsland vond men vuistbijlen die men rekent tot het Clactonien (naar Clacton-on-Sea in Engeland). Omdat de jagersgemeenschappen klein en mobiel waren en geïsoleerd van elkaar leefden, hebben ze zich wel gespecialiseerd in jachttechnieken, maar hebben niet het culturele niveau van het neolithicum bereikt. Zij waren de dragers van het vroegpaleolithicum van Europa. De archeologie plaatst de vuistbijlculturen aan het eind van het midden-pleistoceen, tevens het einde van de Riss/Saale ijstijd.

    Na het ontstaan van de Alpen en de overige jonge gebergten (begonnen tijdens de zondvloed en eindigend ongeveer 600 jaar daarna) is het klimaat over grote delen van Europa en Azië sterk veranderd. Noordelijk Europa ondervond toen een sterke gemiddelde temperatuurdaling. In Bijbelse context geplaatst, kan gesteld worden dat ongeveer 400 jaar na de zondvloed het verzamelde sediment in de diepe bekkens van de Tethyszee onder invloed van enorme krachten boven het zeewater uit kwam en de alpiene gebergten zich begonnen te vormen. Dit is van grote invloed geworden op het klimaat. Het klimaat werd koeler en ging sterke schommelingen vertonen. Het zou nog ongeveer 200 jaar duren voordat het echt kouder werd. De hier boven genoemde vuistbijlculturen bevonden zich in Europa en zijn tijdgenoten geweest van de eerste ontwikkelingen rondom het ontstaan van de Pyreneeën, de Alpen, de Karpaten en het Zagrosgebergte. De Bijbelse tijdrekening plaatst het begin van deze gebergtevorming in de geschiedenis van de mensheid ongeveer 400 jaar na de zondvloed. Men trok vanwege de geologische onrust toen massaal naar de Vlakte van Sinear.

    De geologie plaatst de gebergtevorming ongeveer 25.000.000 jaar geleden, toen het mioceen (tijdvak van het Tertiair) begon. Het is echter de vraag of de verschillende ijstijden, voorafgaande aan de Würm ijstijd, wel bestaan hebben. De wetenschap heeft algemeen het idee van ijstijden omarmd om daarmee vele opvallende landschappelijke kenmerken te verklaren (kliffen, wallen, duinen of zandverstuivingen, grote stenen). Het zouden gigantische gletsjers zijn geweest, die zich over grote afstanden horizontaal verplaatsten en voor deze landschapselementen verantwoordelijk waren. Rehwinkel heeft er op gewezen dat gletsjers zich zonder de stuwende kracht vanuit de hoger gelegen delen in de bergen niet over grote afstand kunnen bewegen. Ook is hij van mening dat primair gedacht moet worden aan water en niet aan ijs als landschapvormende oorzaak. Het artikel Zondvloed en gebergtevorming laat zien dat het ontstaan van de Alpen gepaard is gegaan met omvangrijke waterverplaatsingen. De mensen van Swanscombe hebben (naar men algemeen beweert) tijdens het Mindel-Riss interglaciaal geleefd (S.J. de Laet). C. Arambourg zegt hierover dat de ijstijden nog steeds weinig verandering aan het warme klimaat heeft gebracht, gelet op de botten die gevonden zijn van olifanten, neushoorns, nijlpaarden, leeuwen en beren, runderen en herten. Ook planten als de vijg, de laurier, rodondendron en de buksboom waren algemeen.   

    Lit.: * H. Bavinck - Gereformeerde Dogmatiek I (Kampen 1967) / * S.G. de Graaf - Verbondsgeschiedenis I (Kampen 1952) / * Tjarko Evenboer - De wereldwijde vloed; mythe of oergeschiedenis van de mensheid? (Hoornaar 2012) / * Bill Cooper - Na de vloed; De geschiedenis van de Europese volken vanaf Noach (Amerongen 2008) / * A.M. Rehwinkel - De zondvloed in het licht van de Bijbel, de geologie en de archeologie (Amsterdam 1971) / * Rudolf Grahmann - De vroegste geschiedenis van de mens (Utrecht/Antwerpen 1961, Aula 61) / * Grahame Clark - Algemene prehistorie (Utrecht/Antwerpen 1963, Aula 109) / * Sigfried J. de Laet - De voorgeschiedenis van Europa (Amsterdam 1967) / * Camille Arambourg - Het ontstaan van de mensheid (Utrecht/Antwerpen 1964, Aula 182) / * red. Göran Burenhult - De eerste mens; De geschiedenis en ontwikkeling van de mensheid tot 2000 v.C. (Rijswijk 2005)

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels
     
    Reacties (0)
    U moet inloggen om een reactie te geven.

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.