Prehistorie-Nederland

Van $1

    Inhoudsopgave
    Geen koppen

    In de artikelen 'Prehistorie', 'Mesopotamië' en 'Chronologie' is gepoogd om tot een synchronisatie te komen van de vroegste geschiedenis van de mensheid met een Bijbelse tijdlijn. Een belangrijk keerpunt in de geschiedenis bleek volgens de genoemde artikelen 'de verdeling der aarde' bij de geboorte van Peleg te zijn in 2659 voor Christus. In deze artikelen is bovendien gebleken dat de genoemde jaartallen enerzijds de uitkomst zijn van een berekening die gebaseerd is op aannames, maar anderzijds de pretentie hebben van een zo nauwkeurig mogelijke benadering van hetgeen de Bijbel bedoelt mee te delen. 

    Onderstaand vindt men een beperkt overzicht van een deel van de Nederlandse prehistorie, gerelateerd aan een Bijbelse tijdlijn. Uiteraard moet het schema gezien worden als een concept, dat voor verbetering vatbaar is. 

    2659-1856 voor Christus

    De synchronisatiepoging leidde tot de conclusie dat in Europa omstreeks 2659 voor Christus een einde kwam aan een langdurige koudeperiode. Het heeft er echter alle schijn van dat niet alleen gletsjers, bevroren zee en bevroren ondergrond de basis hebben gelegd voor de landschappelijke kenmerken van met name het gebied noordelijk van de Alpen, maar eerst en vooral zeer omvangrijke waterverplaatsingen. De waterverplaatsingen hadden alles te maken met de Alpiene gebergtevorming (het ontstaan van de Alpen) in uitgestrekte delen van de Tethys-zee. Bij de geboorte van Peleg stroomde waarschijnlijk zoveel continentaal water weg naar de Atlantische Oceaan via het Baltisch ijsmeer en de noordelijke helft van de tegenwoordige Noordzee en naar de Middellandse Zee dat daardoor vooral in het noorden het klimaat veranderde van koud naar iets milder. Tegelijk ontstond er tussen de Kaspische Zee en de Zwarte Zee een landbrug naar het noorden. Waar water was, kwam land. Het Baltisch ijsmeer (de Oostzee) noemt men na deze gebeurtenis de Yoldia-zee. Het nieuwe, wat mildere klimaat wordt aangeduid als het preboreaal met een juli-gemiddelde van ongeveer 10 graden Celcius. 

    Volgens de gangbare opvattingen over deze klimaatverandering eindigde de laatste ijstijd ongeveer 10.000 jaar geleden vrij plotseling en begon het tijdvak van het holoceen.

    Terwijl in het Nabije Oosten de prehistorie tot het verleden behoorde, was Nederland na de 'ijstijd' onbewoond gebied (De Leien-Wartenacomplex). De verbinding met Engeland brokkelde af. Het zeewaterniveau steeg. Westelijk van de tegenwoordige kustlijn vormden zich strandwallen. Daarachter (wat nu het westelijk deel van Nederland is) ontwikkelde zich een uitgestrekt moerasgebied. Het basisveen ging zich vormen. 

    Na verloop van tijd verschenen de eerste voedselvergaarders in de vorm van kleine groepjes schelpenzoekende, c.q. vissende lieden. Zij waren de dragers van de Maglemosecultuur (genoemd naar de vindplaats Maglemose in Denemarken). Het waren blijkbaar weer de jagers en voedselvergaarders die als eersten terrein verkenden. Hun bestaan had een enigszins nomadisch karakter. Hun cultuur was aangepast aan waterrijke gebieden, zoals de kusten van Noord-Europa en rivierdelta's en had laat-mesolithische kenmerken. 

    Beduidend later verschenen op de lössgronden in Limburg de eerste landbouwers. Ze waren ongetwijfeld via de Donau en de Rijn deze kant op gekomen. Ze kwamen voort uit de sedentaire gemeenschappen van het Oude Europa (Balkan) en waren de dragers van de lineaire bandkeramische cultuur (LBK).​ Met hun komst begon in Limburg het vroeg-neolithicum A.

    Over het algemeen was de klimaatverandering in de noordelijke helft van Europa nadrukkelijker merkbaar dan zuidelijk van de Alpen. In Frankrijk ontwikkelden zich de culturen van het Sauveterrien en het Tardenoisien (genoemd naar de vindplaatsen Sauveterre-la-Lémance en La Fère-en-Tardenois). Van deze culturen was die van het Sauveterrien de oudste.

    Gelijktijdig met bovengenoemde periode van ongeveer 800 jaar bevond het Nabije Oosten zich in de periode van het vroeg-brons, dat is de periode van Peleg tot Abraham en tevens de periode van de eerste zes dynastieën van Egypte. 

    Algemeen is men van mening dat met betrekking tot de prehistorie van Nederland bovengenoemde periode begon in 8800 voor Christus en eindigde 4900 voor Christus. De LBK-cultuur van Limburg bevond zich daar van 5300 tot 4900 voor Christus.

    1856-1472 voor Christus

    Het jaar 1856 was mogelijk het jaar van de verwoesting van Sodom en Gomorra. Het is niet duidelijk in hoeverre deze ramp boven het regionale niveau uitstak. Lot werd de gelegenheid gegeven met zijn dochters aan de ramp te ontsnappen. Maar, het moet ook de tijd zijn geweest van farao Pepi II. Tijdens zijn langdurig bewind kwam er rampspoed over het Oude Rijk van Egypte. Er ontstond gebrek aan voedsel (vooral te Memfis), omdat de infrastructuur voor het transport daarvoor faalde, een teken dat er iets bijzonders aan de hand was. Spoedig daarna begon voor Egypte de Eerste Tussenperiode. Op Kreta kwam toen (ca. 1856) een eind aan de voor-Paleistijd en begon de vroeg-Paleistijd, gevolgd door de nieuw-Paleistijd. De ramp die Sodom en Gomorra trof mag niet afgedaan worden als een ongekend heftig onweer.

    Grote rampen waren overigens oorzaak van het op drift geraken van complete bevolkingsgroepen. Immigranten konden in een bepaalde regio een cultuuromslag bewerkstelligen. De landbouwers van Limburg waren waarschijnlijk vertrokken richting Duitsland en opgegaan in de Rössencultuur van Duitsland.

    Het waren de dragers van de Michelsbergcultuur, die zich na 1856 o.a. in een deel van Frankrijk, België en Nederland vestigden. In Nederland staan zij bekend als dragers van de Swifterbantcultuur, gevolgd door de Hazendonkcultuur. Hun cultuur wordt gerekend tot het midden-neolithicum A.  

    Volgens de gangbare mening leefden zij hier in Nederland in de periode van 4900 tot 3400 voor Christus.

    Het klimaat werd nog milder met een gemiddelde juli-temperatuur van 14 graden Celsius en wordt het boreaal genoemd. De zeespiegel steeg (of het land daalde) en veroorzaakte een omvangrijke transgressie (overstromingen met klei-afzettingen), de zogenoemde Calais-transgressie II. Zuidelijk van Scandinavië steeg het land enigszins en werd de Yoldia-zee afgesloten. De Oostzee veranderde daardoor in een meer, het Ancylus-meer.

    In Frankrijk ontwikkelde zich naast de Michelsbergcultuur de cultuur van het Chasséen. In Engeland komen de culturen van Windmill Hill en Lyles Hill tot ontwikkeling.

    In het Nabije Oosten is overeenkomstig de Bijbelse tijdrekening de periode van 1856 tot 1472 de periode van de midden-bronstijd en van de aartsvaders Abraham, Izak en Jakob en na hen de twaalfde dynastie (het Middenrijk) van Egypte.

    1472-870 voor Christus   

    Velikovsky toont in zijn boek Worlds in Collision aan dat tijdens de uittocht van de Israëlieten uit Egypte (1472 v. Chr.) gebeurtenissen een wereldwijde impact hadden. Aan het Middenrijk van Egypte kwam een eind. De periode daarna van 1472-870 (ongeveer 600 jaar) was voor Egypte achtereenvolgens het tijdperk van de Hyksos en de achttiende dynastie. De achttiende dynastie werd omstreeks 874 voor Christus opgevolgd door de 22e dynastie van farao Osorkon II. In het derde jaar van zijn regering (870 v. Chr.) werd de Egyptische delta getroffen door een grote vloedgolf (een tsunami?). 

    Dezelfde periode van 1472-870 betekende voor het volk van Israël de periode van de woestijnreis, de richteren en de koningen van Juda tot Jehoram. Het valt op dat tijdens de uittocht in 1472 wereldwijd een culturele breuk plaats had, die 52 jaar later naar aanleiding van de gebeurtenissen tijdens de slag bij Ajalon werd versterkt.

    Zo waren ook de 'Hazendonk-lieden' in Nederland opgegaan in een nieuwe culturele ontwikkeling of vertrokken naar elders. Aan de kust kwam na 1472 de Vlaardingencultuur tot ontwikkeling. In het oosten van Nederland vestigden zich de dragers van de trechterbekercultuur. Zij waren de bouwers van de ons bekende hunebedden. Hun cultuur plaatst Nederland in het midden-neolithicum B. Het Ancylus-meer (Oostzee) brak door naar de Atlantische Oceaan en wordt daarna de Litorina-zee genoemd. Het waren waarschijnlijk dergelijke doorbraken die de oorzaak er van waren dat grote granietblokken (meeliftend op ijsschotsen?) werden gedeponeerd in Drente. Het klimaat werd zeer mild met een juli-gemiddelde van 18 graden Celcius (het atlanticum). In Nederland ontstonden gemengde wouden, bestaande uit eik, iep en linde. De Noordzee breidde zich uit tot zijn huidige omvang. De sterke stijging van het zeeniveau na 1472 of 1420 wordt aangeduid als de Calais-transgressie IVa 1. 

    Grote delen van Europa (vooral ook in het westen) kenden een 'bekertraditie'.  Regionaal konden ontwikkelingen daarin leiden tot nieuwe bekervormen. Zo verscheen na de trechterbekercultuur de klokbekercultuur (o.a. Veluwe). Met deze cultuur bevond Nederland zich in het laat-neolithicum B. De klokbekerlieden hadden mogelijk relatie met de in Engeland aanwezige Wessex-traditie. Aan het eind van deze periode begon voor Nederland het vroeg-brons met de wikkeldraadbekercultuur.    

    In Frankrijk kwam na 1472 de Seine-Oise-Marnecultuur (SOM) tot ontwikkeling. Deze cultuur heeft de grondslag gelegd voor vele Franse steden. Zij zijn verantwoordelijk voor de nog aanwezige menhirvelden (Carnac/Bretagne). In Engeland werd Stonehenge 1 een feit.

    Algemeen plaatst men het midden-neolithicum B van de Vlaardingencultuur en de trechterbekercultuur in de periode van 3400 tot 2900 voor Christus, de klokbekercultuur en vervolgens de wikkeldraadbekercultuur tussen 2500 en 1800 voor Christus.

    870-687 voor Christus 

    Niet alleen noordelijk van de Alpen bevonden zich continentale zeeën, ook zuidelijk in wat nu de Sahara is, bevond zich een uitgestrekte zee, het Meer van Triton. Door een onbekende oorzaak verkreeg dit water toegang tot de Middellandse Zee. Tijdens de vorige periode, het atlanticum, had Afrika een tropisch en nat klimaat en moet het Meer van Triton zijn maximale omvang hebben gekregen. De doorbraak moet plotseling zijn geweest en gepaard zijn gegaan met een enorme tsunami, die de delta van Egypte moet hebben getroffen. Volgens Mestdagh had dezelfde vloedgolf in 870 Frankrijk getroffen en een eind gemaakt aan de SOM-cultuur.

    Nederland kreeg na 870 weer te maken met een transgressie, de Calais-transgressie IVb. Delen van West-Nederland werden regelmatig overspoeld. Opnieuw werd veel klei afgezet in de overstroomde gebieden. Het vochtige en warme weer van het atlanticum ging plaats maken voor droger en koeler weer van het subboreaal. In de bossen trof men veelvuldig de eik en de beuk. Daarnaast kwamen uitgestrekte heidevelden tot ontwikkeling. Voorne-Putten en West-Friesland werden voor het eerst bewoond. In Nederland begon het midden-brons IB en IC met de Hilversumcultuur (870-776). Het midden-brons ID, II en IIIA volgde op de Hilversumcultuur met de culturen van Drakenstein en Laren (776-687).

    De Nederlandse bronstijd was contemporain aan enkele bijzondere gebeurtenissen. Behalve het jaar 870, was ook het jaar 776 heel bijzonder. In dat jaar vond een grote aardbeving plaats tijdens de regering van Uzzia, koning van Juda. De profeet Amos refereerde er aan in 1:1. Was het misschien als gevolg daarvan dat de eerste Olympiade in 776 plaats had? De aardbeving leek het gevolg te zijn van een gebeurtenis met een kosmisch karakter, waardoor men het jaar 776 als uitgangspunt ging nemen voor een nieuwe jaartelling. De jaren 776 en 701 passen overigens in de verschijningscyclus van de komeet van Halley. Ook op 26 februari (volgens overlevering) 747 vond een dusdanig omvangrijke catastrofe plaats dat opnieuw een nieuwe kalender werd ingevoerd, die bekend werd als 'het begin van het tijdperk van Nabonassar'. Weer later deed zich het wonderlijk verschijnsel voor in het jaar 712 dat tijdens een ernstige ziekte van koning Hiskia van Juda de gradenboog van Achaz' zonnewijzer tien graden terug ging. Het jaar 687 zal bekend staan als een rampjaar (Jes. 6:11). Ook nu had de ramp een universeel karakter. Volgens overlevering vond de ramp plaats op 23 maart. Als gevolg daarvan werd in het twaalfde jaar van Esarhaddon een nieuwe kalender vastgesteld. Een jaar kreeg 365 dagen, in plaats van de gebruikelijke 360 dagen.

    Het valt op dat in deze periode, waarschijnlijk onder invloed van de genoemde gebeurtenissen, het CO2-gehalte in de atmosfeer onderhevig was aan sterke schommelingen. Dezelfde gebeurtenissen hebben er toe geleid dat aanpassingen aan Stonehenge noodzakelijk bleken te zijn (Stonehenge IIIA, B en C). Na 687 kwamen omvangrijke volksverhuizingen van Kelten en Kimmeriërs op gang. Daarmee eindigde de bronstijd en begon de ijzertijd. 

    Bron: Willem de Visser - Herschreven Geschiedenis. Bijdrage aan de vorming van een Bijbels paradigma (Uitg. Free Musketeers, Zoetermeer 2010) ISBN 978-90-484-1431-4

    Lit.: * Red. Leendert P. Louwe Kooijmans e.a. - Nederland in de Prehistorie (Amsterdam 2005) / * I. Velikovsky -Worlds in Collision (Londen 1969) / * I. Velikovsky - Ages in Chaos (Londen 1971) / * M. Mestdagh - Atlantis (Gent 1990) / * S.J. De Laet - De voorgeschiedenis van Europa (Amsterdam 1967) / * S.J. De Laet - Prehistorische kulturen in het zuiden der Lage Landen (Amsterdam 1979) / * Hans Peeters e.a. - De Swifterbatcultuur. Een nieuwe kijk op de aanloop naar voedselproductie. (Abcoude 2004)

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels
     
    Reacties (0)
    U moet inloggen om een reactie te geven.

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.