Rechtswezen

Van $1

    Deze pagina is overgezet naar een nieuw softwaresysteem en kan in de
    laatste versie tijdelijk worden bekeken en verder worden bewerkt op:
     https://christipedia.miraheze.org/wiki/Rechtswezen

    Het rechtswezen is alles wat met het recht en de rechtspraak in verband staat. Een synoniem is: justitie.

    Inhoud van deze pagina:


    God is de oorsprong van àlle recht. Alle rechtsorde op èlk gebied wortelt in Hem. Alle recht, wat het ook zij, heeft zijn laatste en diepste grond in Zijn wil.

    Bij Israël gaf God Zelf uitdrukking aan de eis, die krachtens Zijn recht moet gelden voor heel het leven. Door Mozes, als orgaan van Zijn wil, werden onder de rechtstreekse en onfeilbare leiding van de Heilige Geest ook de burgerlijke en maatschappelijke verhoudingen bepaald en geregeld. Niet in die zin, dat nu ook “alle rechten en inzettingen” nieuw waren. Het bestaande gewoonterecht werd slechts in zoverre afgeschaft, als het in strijd was met de bestemming van Israël tot volk van God, maar verder gehandhaafd, na in overeenstemming met de nieuwe levensbetrekkingen te zijn gewijzigd en aangevuld.

    Ook gaf de Wet geen uitspraak met betrekking tot alle mogelijke en denkbare gevallen, maar alleen ten opzichte van de belangrijkste en de meest voorkomende. Dikwijls moest de rechter naar eigen inzicht uit de algemene rechtsbeginselen de speciale toepassing afleiden.

    Privaatrecht

    Grondbezit

    Onder Jozua werd het gehele land gelijkmatig onder de stammen en geslachten van Israël verdeeld, zodat ieder geslacht en ieder stamhuis voor zichzelf en zijn nakomelingen een erfdeel kreeg dat evenredig was naar het aantal leden dat de stam of geslacht had.

    Niet alle stammen en gedeelten van stammen kwamen direct in het daadwerkelijk bezit van de aan hen toebedeelde grond, omdat de Kanaänieten nog niet helemaal waren uitgeroeid.

    Zowel het verkrijgen als het behouden van het volledig bezit hing af van het al of niet wandelen in de weg van Gods verbond, Lev. 26 :32 v.; Deut. 4 :26 v.; 11 :9 v.

    Het land bleef eigendom van de Heere. Vandaar de rust van de bodem in het sabbatsjaar, en de terugkeer van de vervreemde grondbezitting tot de familie in het Jubeljaar. Van een “verkocht worden ten eeuwige dage” was dus geen sprake; ook kon het verkochte te allen tijde worden ingelost, Lev. 25 :3. Alle koop van grond was dus feitelijk niets anders dan pacht.

    Erfopvolging en erfrecht

    De vaderlijke bezitting ging over op de zonen; de eerstgeborene erfde een dubbel aandeel, de overige zonen ontvingen gelijke delen. Waren er bijvoorbeeld vijf zonen, dan kreeg de eerstgeborene 1/3 of 2/6 deel, de overigen ieder 1/6 van het vaderlijk vermogen.

    Stierf iemand zonder zoon na te laten, dan gingen zijn bezittingen over op zijn dochters, Num. 27 :4; had hij ook geen dochters, dan ging de erfenis over op zijn broeder; had hij geen broeder, dan ging het over op de broeders van zijn vader; als ook die ontbraken, moest zijn erfdeel worden gegeven aan de bloedverwant die het dichtst bij hem stond, Num. 27 : 7-11.

    Vaderlijk erfgoed mocht niet overgaan van de ene stam in de andere stam; daarom mochten erfdochters niet buiten hun stam trouwen.

    Van testamenten is in de Wet en in heel het Oude Testament geen sprake.

    Leen- en pandrecht

    Van geleend geld mocht geen rente worden geheven, en geleende voedingsmiddelen mochten niet met winst teruggenomen worden; deze bepaling gold alleen voor de Israëlieten, niet voor de vreemdelingen en bijwoners, en had uitsluitend betrekking op gevallen van verarming.

    Van geld lenen, niet uit nood, maar bijvoorbeeld om zijn bedrijf uit te breiden, wordt in de wet niet gesproken; het nemen van rente in een dergelijk geval kan niet met een beroep op de wet worden bestreden, Ex. 22; Deut. 15 :6; 23 :20.

    Het van de verarmde naaste te pand genomen kleed moest weer teruggegeven worden, voordat de zon onderging, Ex. 22 :26 v. Het kleed van de weduwe, alsmede de beide molenstenen of de bovenste steen, onmisbaar voor de bereiding van het dagelijks brood, mochten niet te pand worden genomen, Deut. 24:6. Het was verboden zelf het huis van de schuldenaar binnen te gaan, om van hem te pand te nemen; men moest buiten blijven staan en wachten tot hij het pand naar buiten bracht.

    Van borgstelling spreekt de wet niet; evenmin van verpanding van de bodem; alleen, zoals we zagen, van verkoop van het grondbezit, en ook van zelfverkoop.

    Het recht van de armen

    Een bedelaar mocht er onder Israël niet zijn. De arme had recht op de nalezing bij de graan- en de wijnoogst, Lev. 19 :9 v., Deut. 24 :19 v.; in het sabbatsjaar vrij gebruik van wat vanzelf groeide, Lev. 25 :5 v.; een plaats aan de offermaaltijden, Deut. 16 :10 v.; 26:12 v. In het jubeljaar kwam het verloren gegaan bezit aan de verarmde Israëlieten terug.

    Publiek recht

    Rechters en rechterlijke macht

    In de tijd van de aartsvaders oefende de huisvader de rechterlijke macht uit over allen, die tot zijn huis behoorden, ook het recht over leven en dood, Gen. 38 :24.

    Later, toen de huisgezinnen vermenigvuldigden, ging deze macht op natuurlijke wijze over op de hoofden van de stammen en geslachten, die deze macht uitoefenden voor zover dit mogelijke was bij de staat waarin de Israëlieten in Egypte verkeerden.

    Nadat Mozes het volk uit het diensthuis had uitgeleid, wendden allen, die het recht zochten, zich tot hem, de redder van het volk, die God op zo’n wonderbare wijze volmacht had gegeven om als Zijn gezant en vertegenwoordiger op te treden, Ex. 14 :31; 18 :13.

    Omdat Mozes echter niet in staat was om alle rechtszaken alleen te behandelen, verkoos hij, op aanraden van zijn schoonvader Jetro, uit de hoofden van de stammen oversten der duizenden, der honderden, der vijftigen en der tienen, om “in alle kleine zaken” te richten, en “alle grote zaken” voor hem te brengen, Ex. 18 :19-26, Deut. 1 :13-18.

    Deze algemene bepaling bleef ook van kracht, toen het land Kanaän in bezit genomen was. Voor deze tijd in het beloofde land wordt slechts in het algemeen voorgeschreven:

    “Rechters en ambtlieden (Hebr. schoterim)  zult gij u stellen in al uw poorten (steden) die de HEERE uw God u geven zal onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid”,
    Deut. 16 :18, Statenvertaling.

    De ambtlieden (schoterim) hielden en bewaarden de geslachtslijsten, en stonden de rechters bij, niet alleen als schrijvers, maar ook als raadslieden, voor zover eigendomsrecht en andere rechtsbetrekkingen verband hielden met de afkomst en de opvolging van de geslachten.

    Dit plaatselijk  gericht had alleen over de geringere zaken te oordelen, en de schuldigen te straffen. Voor moeilijke gevallen was een hogere rechtbank ingesteld, die haar zetel moest hebben ter plaatse van het heiligdom, en bestond uit priesters en rechters, met de hogepriester aan het hoofd, Deut. 17 :8; 19 :16 v.

    Na de instelling van het koningsschap berustte de hoogste rechterlijke macht bij de koning, tot wie men zich rechtstreeks kon wenden, en waarop men zich beroepen kon, indien men zich door een lager gericht verongelijkt achtte.

    De koning droeg soms een deel van die macht aan anderen over. David benoemde 6.000 Levieten tot rechters en schoterim, 1 Kron. 23 :4, vergelijk 26 :29, en Josafat stelde niet alleen in de vaste steden rechters aan, 2 Kron. 19 :5-7, maar richtte ook te Jeruzalem een gerechtshof in, bestaande uit Levieten, priesters en stamhoofden, waarvan de hogepriester “in alle zaak des Heeren” (het geestelijk recht) en de vorst van het huis van Juda “in alle zaak des konings” (het burgerlijk recht) voorzitters waren, 2 Kron. 19 :8-11.

    Tijdens de ballingschap berustte de rechterlijke macht bij de oudsten des volks.

    Na de terugkeer in het voorvaderlijk land – de precieze tijd is niet bekend – werd het Sanhedrin gevormd, de Grote Raad, die te Jeruzalem zetelde en uit 70 leden bestond: overpriesters, oudsten en schriftgeleerden, zowel Farizeeën als Sadduceeën, Matth. 26 :57,59, Mark. 14:43,53; 15 :1, Luk. 22 :66, Hand. 5 :21,34; 22 :30; 23 :6. De Talmoed zoekt de oorsprong van het Sanhedrin in de door Mozes ingestelde raad van 70 oudsten, Num. 11 :16. De voorzitter van het Sanhedrin was de hogepriester. Het Sanhedrin hield dagelijks zitting, uitgezonderd op de sabbat en op de grote feesten, en oordeelde niet alleen over godsdienstige, maar ook over burgerlijke en staatkundige aangelegenheden. In godsdienstzaken schijnt zijn invloed zich tot buiten de grenzen van Israël, zelfs tot in Syrië toe, te hebben uitgestrekt, Hand. 9 :2. 

    De rechtspleging

    De vorm van de rechtspleging was heel eenvoudig. De rechters in de steden hielden zitting bij de poort, Deut. 21 :19; 22 :15, Spr. 22 :22, Am. 5 :12,15. Zelfs de hoogste rechters hielden in het openbaar gericht, Richt. 4 :5; 2 Sam. 15 :2,6, vergelijk 14 :4 v.; 1 Kon. 3 :28.

    Aanklager en aangeklaagde verschenen in eigen persoon.

    Voor bewijzen golden de bewijsstukken zelf, Ex. 22 :13, vergelijk Deut. 22 :15, Am. 3 :12, of het woord van de aanklager, dat echter door twee of drie getuigen moest worden bevestigd, Deut. 19 :15, vooral in zaken waarin sprake was van doodschuld, Deut. 17 :6, Num. 35 :30.

    Wie bevonden werd, een vals getuigenis te hebben gegeven, moest dezelfde straf ondergaan, die de aangeklaagde zou zijn opgelegd, Deut. 19 :18 v.

    Bij gebrek aan getuigen moest de zaak door een eed worden uitgemaakt, Ex. 22 :6-11.

    Had een man zijn vrouw van echtbreuk beschuldigd, dan moest een Godsoordeel uitspraak doen, Num. 5 :11-31.

    Twee gevallen worden vermeld, waarin de schuldige werd aangewezen door het lot, Joz. 7 :14 en 1 Sam. 14 :40 v.

    Het vonnis werd, terstond na de uitspraak, voor de ogen van de rechter voltrokken, Deut. 25 :2 v. De doodstraf door steniging werd uitgeoefend door de gehele gemeente, Num. 15 :36, of door de lieden van de stad, Deut. 22 :21 vergelijk Deut. 13 :9; 17 :7, waarbij de aanklagende getuigen de eerste steen moesten werpen, om de misdadiger te doden.

    Het strafrecht

    De wet gaat uit van het beginsel, dat de straf handhaving is van de goddelijke gerechtigheid.

    Haar strafrecht is in hoofdzaak wedervergelding, en eist leven voor leven, oog voor oog, wond voor wond, enz., Ex. 21 :23-25, Lev. 24 :17-23, Deut. 19 :21, en bij benadeling in bezittingen, volledige vergoeding. (Over het lossen, in verband met de wedervergelding, zie Lev. 25, Num. 5 :8; 35 :19, 2 Sam. 14 :7).

    Naast de handhaving van het recht was ook de uitroeiing van het kwaad het doel van de straf.

    De straffen waren eenvoudig en streng, niet wreed of onterend.

    Misdrijven, die de grondslagen van de Theocratie aantasten, werden met de dood gestraft:

    • moord, Ex. 21 :12,14, Lev. 24 :17;
    • tegennatuurlijke ontucht, Lev. 20 :13;
    • bloedschande, Lev. 20 :14;
    • weerspannigheid of opstaan tegen de ouders, Ex. 21 :15,17, Lev. 20 :9, Deut. 21 :18-21;
    • lastering van Gods Naam, Lev. 24 :13-16,23;
    • sabbatschending, Num. 15 :32-36;
    • het niet-houden van het Pascha, Num. 9 :13;
    • waarzeggerij en toverij, Lev. 20 :27;
    • het vals profeteren, Deut. 18 :20.

    De doodstraf werd uitgevoerd door steniging of doodsteken met het zwaard, Deut. 13 :9; 20:13.

    De doodstraf werd verzwaard of vermeerderd, deels door het verbranden van het lijk, Lev. 20 :14; 21 :9, deels door het ophangen ervan aan een boom of paal, Deut. 21 :22. De opgehangen persoon was een vervloekte, Gal. 3 :13, en mocht geen nacht over blijven hangen, Deut. 21 :23.

    De 21:22 Voorts, wanneer in iemand een zonde zal zijn, die het oordeel des doods [waardig] [is], dat hij gedood zal worden, en gij hem aan het hout zult opgehangen hebben
    De 21:23 Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar gij zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is Gode een vloek. Alzo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de HEERE, uw God, ten erve geeft.
    (SV)

    In dit Schriftwoord wordt niet de doodstraf door ophanging bedoeld. Deze was onder Israël, tenminste toen, niet bekend. Wel werd tot verzwaring of vermeerdering van de straf het lijk van een ter dood gebrachte aan een boom opgehangen, én om daarmee aan te duiden, dat hij een eerlijke begrafenis onwaardig was, én om ook nog een tijd na zijn dood hem tot een schouwspel te doen strekken voor de mensen tot afschrik. Dat tentoonstellen moest echter ook zijn grenzen hebben, opdat het land niet werd verontreinigd door het dode lichaam van de misdadiger.

    Bij doodslag gold de regel: “Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden; want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt”, Gen. 9 :6. De naaste bloedverwant van de verslagene was geroepen om als bloedwreker op te treden, Deut. 19 :6. De wet beperkte de bloedwraak door te onderscheiden tussen moedwillige en onopzettelijke doodslag, Ex. 21 :12-14. Wie bij vergissing iemand gedood had, kon de doodstraf ontgaan, door in één van de zes vrijsteden te vluchten, Num. 35 :11-16, en daar te blijven tot de dood van de hogepriester, Num. 35 :25. Ook het altaar beveiligde tegen de bloedwraak, Ex. 21 :14, Deut. 19 :11-13, 1 Kon. 1 :50.

    De lijfstraffen bestonden, bij lichamelijke kwetsing in wedervergelding aan hetzelfde lichaamsdeel, Ex. 21 :23 v., Lev. 24 :19 v., Deut. 19 :21, en verder in stokslagen, die de 40 niet te boven mochten gaan, Deut. 25 :2,3; waarvan de rabbijnen later maakten 40 –1, opdat vergissing geen wetsovertreding zou zijn, 2 Kor. 11 :24.

    Geldboetes mochten niet meer dan honderd sikkelen bedragen. Ze werden toegepast bij diefstal, waarbij ook het gestolen goed moest worden gerestitueerd, Ex. 22:3, of bij eerroof. Het bedrag was wettelijk vastgesteld, Deut. 22 :19, 29, of werd door de rechters bepaald, Ex. 21 :22. In een enkel geval, Ex. 21 :30, kon de doodstraf door een boete worden vervangen.

    Gevangenisstraf komt in de wet niet voor. Zij werd pas opgelegd in de tijd van de koningen, 2 Kron. 16 :10; Jer. 20 :2; 32 :2; 38 :6.

    Bronnen

    Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal (13e uitgave), digitale versie, jaar 2000, s.v. ‘Rechtswezen’.

    C. Lindeboom, Bijbelgids, of Handleiding tot het verkrijgen van Bijbelkennis (Middelburg: Stichting de Gihonbron, 2009; bewerking door J. Pluimers van de uitgave uit 1929), blz. 245-251. Hieruit is, onder toestemming, op 14 nov. 2014 tekst gebruikt.

    Karl August Dächsel; F P L C van Lingen; H van Griethuijsen, Antz. et al, Bijbel, of De geheele Heilige Schrift, bevattende al de kanonieke boeken van het Oude en Nieuwe Testament (Kampen: Bos, 1893-1901), commentaar op Deut. 21:22. Enige tekst hiervan is verwerkt. 

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels
     
    Reacties (0)
    U moet inloggen om een reactie te geven.

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.