Vaars

Van $1

    Een vaars (Hebr. eglah, Eng. heifer, Du. Färse) is een jonge koe, een jong vrouwelijk rund.

    Microsoft Encarta Winkler Prins Encyclopedie 2007 verklaart: "jonge koe van ca. 2–3 jaar oud (die dus hoogstens één keer gekalfd heeft). De term wordt niet in alle delen van Nederland en België op gelijke wijze gebruikt. Vóór het afkalven spreekt men van een dragende of drachtige vaars, daarna van een melkvaars. Een koe die voor de tweede keer gaat kalven of gekalfd heeft, wordt schot genoemd; een koe die voor de derde keer kalft derde-kalfskoe, enz."[1]

    Het Hebreeuwse woord eglah komt 14 keer voor in het Oude Testament. De Statenvertaling vertaalt het woord door “jonge koe” (4 keer), “vaars” (4 x), “kalf” (3 x), “vaarze” (2 x), “koetje” (1 x). De NBG51-vertaling vertaalt door “jonge koe” (8x), “kalf” (3 x), “Eglat-selisia” (2 x, Jes 15:5)), “koekalf” (1 x).

    Het Hebreeuwse woord eglah komt de eerste keer voor in Gen 15:9:  

    Ge 15:9 En Hij zeide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en een driejarigen ram, en een tortelduif, en een jonge duif.
    (SVV)

    De Naardense vertaling heeft hier: ‘kalf’. De NBG51-vertaling: ‘jonge koe’. NBV, Willibrord 78, Willibrord 95 en Canisius hebben: ‘koe’. 

    As van een rode vaars

    In Numeri 19 vormt de as van een verbrande rode vaars samen met levend water een middel tot reiniging. De boeken Levitikus en Numeri stellen ons de offerande voor de zonde uit drie oogpunten voor: 1. de grote verzoendag, Lev. 16; 2. het zond- en schuldoffer, Lev. 4-5; 3. de offerande van de rode vaars, Num. 19. Het boek Numeri verhaalt ons de reis van de Israëlieten door de woestijn, type van de loopbaan van de christen in deze wereld, gedurende welke hij zich met vele dingen verontreinigt, die de praktische gemeenschap met God afbreken.

    Het is opmerkenswaardig en belangrijk voor onze gewetens om te zien, welke dingen dit zijn. Het zijn niet meer de zonden uit onkunde en onwetendheid begaan, zoals in Lev. 4, die anderen ons hebben leren kennen. Als de hogepriester had gezondigd, Lev. 4, wordt er niet gezegd: "Als men zijn zonde aan hem zal bekendgemaakt hebben," zoals in de verzen 23 en 28. Hoe meer er gemeenschap tussen God en onze ziel is, des te meer maakt de Heilige Geest, door het Woord op onze gewetens werkend, ons opmerkzaam op de minste zonde, zonder dat wij een tussenpersoon nodig hebben om er ons op te wijzen. Het gaat bij de verontreiningen van Num. 19 om zonden uit onoplettendheid en onwaakzaamheid begaan. De waakzaamheid alleen is het middel om elke afbreking van de gemeenschap met God in onze wandel te vermijden.

    Behalve dit karakter hadden die zonden een ander gemeenschappelijk kenmerk. In alle gevallen, waarvan ons gesproken wordt, was de verontreiniging veroorzaakt door de aanraking van een dood lichaam of van hetgeen daarmee in verband stond. Men kon zich niet verontschuldigen wegens onkunde, als men verontreinigd was, want iedereen kon weten, wat de dood was. Zij was het volkomenste en tastbaarste bewijs der zonde: "Ten dage als u daarvan eet, zult u zeker sterven," "Het loon van de zonde is de dood." De zonde was dus door haar gevolgen openbaar gemaakt, zodat iemand, die met de dood in aanraking kwam geen enkele verontschuldiging kon voortbrengen.

    De verontreiniging bij de aanraking van een dode kon in twee plaatsen geschieden: in de tent en op het open veld. In het tweede geval was de persoon zelf alleen verontreinigd; in het eerste geval strekte de verontreiniging zich uit tot alles, wat in de tent was, en vooral tot elk ongedekt vat. Hoe veelvuldig komt deze laatste verontreiniging onder de christenen voor!

    Als men in het open veld, in het openbaar te midden der wereld is, dan is men gewoonlijk waakzamer, omdat men weet, dat men door vijanden gade geslagen wordt, die ons graag misslagen zien bedrijven om het evangelie te kunnen lasteren.

    In de tent, in de min of meer besloten familiekring, is men veelal minder oplettend, waakt men minder over zichzelf. Men laat dingen toe die men niet in tegenwoordigheid van iedereen zou dulden; er is minder terughouding, omdat men onder elkaar is. Zekere wereldsgezindheden zijn toegelaten, die men niet in het publiek zou willen laten zien; dit of dat kwaad wordt vergoelijkt, omdat er niemand is om het te oordelen. De dood is dientengevolge in de tent. Wat is het gevolg? Indien er een ongedekt vat is, wordt het verontreinigd. De verontreiniging,die wij in onze tent toelaten, strekt zich tot onze onmiddellijke omgeving uit. Vanwaar komt het, dat zo dikwijls de kinderen van christenen de wereld ingaan en de waarheid verlaten, die hen in het ouderhuis is ingeprent? Ongetwijfeld zijn daarvoor vele redenen op te geven, en in de meeste gevallen is de oorzaak niet te wijten is aan grote wereldsgezindheid van de ouders, maar moeten zij niet dikwijls met beschaming erkennen, dat zij in de familiekring deze of gene wereldse verontreiniging hebben toegelaten, die invloed gehad heeft op de ongedekte vaten, door onze onoplettendheid daaraan blootgesteld?

    Op het veld. De tweede verontreiniging door aanraking van een dode was die op het veld. Daar kon men, als men zich niet in acht nam, met de dood onder vier verschillende gedaanten in aanraking komen:

    1. het gebeente
    2. een verslagene
    3. een dode
    4. en het graf

    Gebeente. Een gebeente had slechts weinig overeenkomst met een lijk. Men zag er het oorspronkelijke bederf niet meer aan. Reeds lang hadden de zon, de regen, de buitenlucht, de vogels en dieren van het veld het van het aanhangende bedorven vlees ontdaan. De beenderen waren derhalve iets gewoons, daar men minder aan hun oorsprong herinnerd werd; elk oogenblik ontmoette men ze bij het gaan in het veld. De menschen zijn er zelfs toe gekomen om ze als nuttig en onontbeerlijk te beschouwen. Welke is dan die algemene zonde, bedoeld onder het voorbeeld van het gebeente, die zonde, door allen aangenomen, zo veelvuldig voorkomend, dat men er geen acht meer op slaat, en dat de wereld er zich over verbaast, dat sommigen haar gispen en afkeuren?

    Men ontmoet haar overal, als men, evenals de Israëliet in het veld, genoodzaakt is in de wereld te gaan. Men zal elk ogenblik zien dat de verkoper de koper bedriegt omtrent de hoedanigheid van zijn waren; dat de bankier zijn eigen voordeel boven dat van zijn cliënten laat gaan; dat de arts aan zijn zieken voorliegt, en de man in de wereld u in het aangezicht vleit en achter de rug bespot; dit alles, en nog duizend andere zaken, worden zij niet door het gebeente voorgesteld? Hebben wij, christenen, die beginselen van de wereld overgenomen, zodat wij ze niet meer als een verontreiniging aanzien? Laat ons op onze hoede zijn, want wij verbreken de gemeenschap met God!

    Verslagene. Het tweede en derde geval was dat van een gewelddadigen en van een natuurlijken dood: het geweld en het bederf, die twee grote zonden, die God voor ogen had, toen Hij besloot de wereld door de zondvloed te verdelgen. De wereld is niet veranderd. De uitspraken: "Zij zijn allen verdorven;'' "Vernieling en ellende is in hun wegen"; "Het geweld bedekt hen als een kleed," zijn altijd nog waar; maar de vraag voor ons, christenen, is, of in onze betrekkingen met de wereld deze dingen niet aan onze wandel kleven. Als wij gekwetst en belasterd worden; als wij persoonlijke grieven tegen anderen hebben; wat openbaren wij dan? Een geest des vredes of des gewelds?

    Dode. Van de andere zijde is er een zedelijk bederf, dat ons geheel omringt als de lucht, die wij inademen. Het bevindt zich in wat men hoort, wat men leest, wat men ziet in de man of de vrouw, die ons voorbijgaan; het vertoont zich in het helderste daglicht, en verschuilt zich in de duisternis van de nacht. Gaan onze begeerten uit naar die dingen, en laten wij ons bezoedelen door dat rondgaande bederf? Ach, laat ons waakzaam zijn, om onze oren en ogen te bewaren, onze handelingen en voetstappen, onze gedachten en harten, om verre te blijven van al die verontreinigingen; laat ons zelfs het kleed, door het vlees bezoedeld, haten!

    Graf. Het vierde geval was het graf. Men kon op een graf treden zonder het te weten, Luk. 11 : 44. De Heer gebruikt het beeld van het graf om de huichelarij van het hart ten toon te stellen, die van buiten wel fraai schijnt, en zelfs een naam van vroomheid heeft; maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid is, Matth. 23: 27, 28. Het graf is een hart, dat vrijwillig onder schone schijn naar buiten, het bederf, dat het in zich bevat, verbergt. Zo waren de farizeërs, die door de Heer berispt werden. En hoevele duizenden kinderen Gods raken die graven in hun wandel aan, terwijl zij de beginselen van de wereldgodsdienst overnemen, en zich vergenoegen met een schijnvroomheid, die niet aan de toestand van het hart beantwoordt! Helaas kan een Christen zich door een graf verontreinigen; hij ook kan, in deze zin, een huichelaar zijn. De apostel Paulus had deze verontreiniging gemeden; hij zocht niet de goedkeuring van de mensen, maar die van God; hij zei: "Wij zijn voor God openbaar geworden; en ik hoop, dat wij ook in uw gewetens openbaar zijn geworden." (2 Kor. 5: 11.) Als men het graf aanraakt, is men verontreinigd, en de gemeenschap is verbroken. Een enkele slechte gedachte is daartoe voldoende, een enkele begeerte in het hart verborgen, die nooit onder de ogen van enig mens is gekomen. Dikwijls zijn wij flauw en onvruchtbaar; het Woord boezemt ons geen belangstelling meer in, de vreugde en de kracht zijn verdwenen. Waarom? Wij weten misschien de oorzaak van dat alles niet, maar feitelijk is de gemeenschap verbroken. Laat ons aan God de reden vragen; Hij zal ons antwoorden, dat wij het graf aangeraakt hebben. Misschien zullen wij ons slechts over één enkele slechte begeerte te oordelen hebben, die ons hart voedt en koestert, die ene begeerte is voldoende om ons te verontreinigen.

    Reiniging. Wat moest een Israëliet moest doen, als hij zich verontreinigd had door een dode aan te raken? Het middel tot reiniging was een rode volkomen vaars, in welke geen gebrek was, en op welke geen juk gekomen was. Deze vaars was een type van Christus, de mens zonder zonde, die zelfs niet eens, in zijn natuur, aan de gevolgen van de zonde onderworpen is geweest. Deze vaars moest voor Eleázar, de priester, gebracht en geslacht worden, en haar bloed zeven malen gesprengd worden recht tegenover de tent der samenkomst, de plaats, waar het volk kwam om God te aanbidden.

    Het was niet zoals op de Verzoendag, waar het bloed in het heiligdom binnen het voorhangsel, op het verzoendeksel, gebracht werd onder Gods oog; hier vertoonde het bloed zich aan de ogen van hem, die tot God wilde naderen, na schuldig bevonden te zijn. Het was een offer, dat overeenkomst had met het zondoffer, hoewel bij het laatste de besprenging met het bloed op andere plaatsen geschiedde.

    Tot herstel van de ziel was het vóór alles nodig, dat het oog van het geloof het bloed zag, dat geofferd was voor de verzoening, en dat de zondaar voorgegaan was op de plaats, waar hij God kon ontmoeten. Er is voor de mens geen ontmoeting met God mogelijk zonder het bloed; hetzij op het dankofferaltaar, Lev. 4: 25, 34, of voor de tent der samenkomst, Num. 19:4, of op het gouden altaar, Lev. 4: 7, 18, of voor het voorhangsel, Lev. 4:6, 17, of voor of op het verzoendeksel, Lev. 16 : 14, 15. Zonder die eerste handeling van besprenging was er geen herstel mogelijk. Indien wij, na gezondigd te hebben, niet weten, dat Jezus Christus, de rechtvaardige, voor Gods aangezicht is als het zoenoffer voor onze zonden, dan blijven wij veraf staan, in plaats van tot Hem te naderen. Onze onwetendheid doet ons geloven, dat wij, door te zondigen, een zaak verloren hebben, die nooit kan verloren gaan, namelijk onze betrekking tot God, en wij laten die betrekking afhangen van ons gedrag, terwijl het onze gemeenschap is, die er van afhangt. Het gevolg van deze onwetendheid is niet herstel, maar wanhoop. Een ware reiniging in onze wandel zal altijd gegrond zijn op de volle verzekerdheid, die het bloed van Christus, onder Gods oog geplaatst, aan onze zielen geeft, en waarop onze blikken rusten, daar het God geheel voldoet.

    Het gehele lichaam van de geslachte vaars werd buiten de legerplaats verbrand. Hetzelfde gebeure, zoals wij in Lev. 4 zien, met het offer voor de zonde van de hogepriester of het volk, en in Lev. 16 met het offer voor de grote verzoendag; want er was gezegd: "Geen zondoffer, waarvan het bloed in de tent der samenkomst zal gebracht worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden." (Lev. 6: 30.) Het verbranden van het slachtoffer buiten de legerplaats wees op de heiligheid van God, die de zonde, zelfs door Christus gedragen, uit zijn tegenwoordigheid moest bannen. Hoe streng was dus zijn oordeel, daar het slachtoffer voor onze zonden er door verteerd werd! Maar het verbranden van de vaars tot as toonde tevens duidelijk aan, dat de zonde de zondaar niet werd toegerekend, en dat deze grote zaak geheel en al tussen Christus en God geregeld was.

    Er werden drie zaken met het slachtoffer in het vuur geworpen, om verteerd te worden, Num. 19 : 6:

    1. cederhout
    2. hysop
    3. en scharlaken.

    Het cederhout vertegenwoordigt in de Schrift de grootheid van de mens, het hysop zijn kleinheid, de twee uitersten waar tussen de natuurlijke mens geheel bevat is, de twee uitersten ook van zijn wijsheid en kennis, 1 Kon. 4: 33; dit alles was alleen goed om te verbranden. De gehele mens, van welke zijde men hem ook beschouwt, vindt zijn einde en oordeel in het kruis van Christus. Het scharlaken is het beeld van de heerlijkheid van de wereld, van hetgeen hier naam heeft, datgene wat het meest de aandacht van de mensen trekt. God nu heeft de wereld op het kruis geoordeeld. Men vindt hetzelfde bij de reiniging van de melaatsen, Lev. 14: 6, ook daar moest al de heerlijkheid van de wereld, al wat de mens is, alles wat de mens kent, het zegel van de dood dragen.

    Allen die het verbrande lichaam van de rode koe hadden aangeraakt, waren onrein tot de avond. Hoezeer moet dit de ziel van de geloovige van de afschuwelijkheid van de zonde overtuigen, daar zelfs de waarde van het volmaakte slachtoffer niets aan de verontreiniging, die het kenmerkte, kon veranderen! Van de andere zijde (Lev. 6: 17-23.) waren allen, die het vlees van het zondoffer aanraakten of aten, er door gereinigd. Het was "een heilige zaak." Hoewel God zijn aangezicht van Christus, die tot zonde was gemaakt, afkeerde, zo was daarom toch de Heiland de heilige, en in hetzelfde ogenblik, waarin Hij zich opofferde, het voorwerp der volmaakte voldoening van het hart van de Vaders. Na de volbrachte verzoening heeft de Vader zijn welbehagen in Hem getoond, door Hem uit de dood op te wekken en aan zijn rechterheid te zetten.

    Hoe geschiedde de reiniging van hem die zich verontreinigd had? Een rein man verzamelde de as van de vaars, die zorgvuldig bewaard werd. Daarna als een Israëliet zich, door de aanraking van een dode, had verontreinigd, nam men van die as, en goot er levend water op in een kruik. Dan sprengde een rein man hiervan met een hysoptak op de tent en de gereedschappen en de verontreinigde man. De Schrift verklaart ons de betekenis van dit type. Het reine water is de Heilige Geest, Joh. 7 : 38, 39, die in dit geval, door middel van het Woord, aan de ziel niet het bloed voorhoudt om weer opnieuw gereinigd te worden, maar de herinnering aan het lijden van Christus onder Gods oordeel, waardoor God de mensch en de wereld geoordeeld heeft. Zijn liefde heeft door de overgave van zijn Zoon dit werk van onze verlossing volbracht, opdat wij Hem zouden toebehoren, en in heiligheid in zijn tegenwoordigheid zouden kunnen wandelen. Deze typische handeling stelt ons dus, op heldere wijze, het gewetensonderzoek voor, dat een kind van God moet doen om de gemeenschap met zijn Vader terug te vinden. Door mijn onachtzaamheid heb ik die gemeenschap verloren, die zo kostelijk is voor onze harten, het grootste voorrecht, dat een gelovige kan bezitten, waartoe ik het eeuwige leven heb ontvangen (1 Joh. 1) - die gemeenschap, waardoor men geroepen is om de gedachten en de vreugde van God met betrekking tot alle dingen te delen! Had ik die gemeenschap bewaard, dan zou ik niet onoplettend zijn geweest; dan zou ik zelfs, onwillekeurig, een afschuw hebben van alles waarvan God gruwt. Had ik ze bewaard, dan zou ik Christus en zijn werk gewaardeerd hebben, gelijk God dat doet; dan zou ik voor die verontreiniging teruggedeinsd hebben, die de oorzaak van het lijden van Christus is geweest; dan zou ik genoeg liefde voor Hem gehad hebben, om datgene niet aan te raken wat Hem heeft doen lijden!

    Ziedaar, wat de as, met levend water vermengd, in voorafschaduwing, tot het geweten van een onreine Israëliet zei. Die reinigende besprenging gaat noodzakelijk met verootmoediging gepaard, terwijl zij aan de ziel de oneindige waarde voorstelt van hetgeen op het kruis voor haar vervuld is. En de gereinigde ziel leert dat zij geen vertrouwen in het vlees kan stellen. Onze gebreken, in Gods tegenwoordigheid geoordeeld, openen onze ogen om te zien, dat God noch wij iets van onszelf hebben te verwachten, omdat God op het kruis de zonde in het vlees heeft veroordeeld; dat het er niet om gaat om besluiten te nemen van niet meer te zondigen, maar om het feit aan te nemen, dat de mens geheel en al gevallen is, en daarna in de heilige vrijheid van de nieuwe mens en in zijn kracht te kunnen wandelen.

    Er moest niet veel tijd verlopen tussen de zonde en haar afwassing. God stelde drie dagen, aan het einde waarvan men voor de eerste maal het water van der reiniging sprengde. Hij, die meent al het noodige gedaan te hebben, als hij zijn zonde belijdt op het oogenblik zelf van de verontreiniging, is gewoonlijk min of meer lichtvaardig; hij, die het uitstelt zich te verootmoedigen, wiegt meestal zijn geweten in slaap door het talmen. Satan maakt hem wijs, dat de misslag niet zo zwaar is; dat anderen het ook wel gedaan hebben; en zo laat men zich overreden, en vergeet het gewicht der zonde. In vele gevallen geeft deze nalatigheid gelegenheid aan de Booe om zijn verzoeking te herhalen. Daarom ziet men dikwijls de wandel van christenen daarop uitlopen, dat zij van de gemeenschap der gemeente afgesneden moeten worden: "Wie onrein zal zijn en zich niet zal ontzondigen, die ziel zal uit het midden van de gemeente uitgeroeid worden; want hij heeft het heiligdom van de Heer verontreinigd, het water van de reiniging is op hem niet gesprengd, hij is onrein." (Num. 19: 20.)

    De onreine werd tweemaal op de 3de en 7de dag besprengd. De gemeenschap gaat gemakkelijk verloren, en wordt moeilijk teruggevonden. De verootmoediging is niet de gemeenschap, zij is slechts de weg daartoe. Er was voor de reiniging een tijdperk van drie dagen nodig, dat deel uitmaakte van een ander tijdperk van zeven dagen. Als wij de zegeningen van de vertrouwelijken omgang met de Heer hebben genoten, dan zouden wij wel dadelijk willen voortgaan daarmee, als wij gezondigd hebben; wij zouden dadelijk die kracht, door onze nalatigheid verloren, en die gelukkige gemeenschapsoefening met de Vader, vrucht van een onvoorwaardelijk vertrouwen, willen terugvinden. Maar dit kan zo niet geschieden. Die praktische reiniging gebeurt niet zo ineens, men moet er op terug komen. De verootmoediging moet de vreugde voorafgaan. Laten wij hier wel aan denken. Als wij de gemeenschap met de Vader en de Zoon op prijs stellen, laten wij ze dan niet loslaten. Niets is met haar te vergelijken, en alles wat wij in de wereld aanraken, verstoort haar. De wereld is niets dan een lap scharlaken, die niettegenstaande de glans van zijn oppervlakte, alleen goed is voor het vuur; zij is de verzamelplaats van de doodsbeenderen, van het verderf en van de graven; en als onze harten, die zo gemakkelijk te bedriegen zijn, zonder voorzorg op die verontreinigde grond beginnen te wandelen, dan zullen wij zelf spoedig verontreinigd zijn, en de gemeenschap met God verliezen. Laat ons daarom ons ver houden van deze dingen. Laat ons de gemeenschap met God zó hoogachten, dat wij met geheel ons hart en met geheel onze ziel alles haten wat die gemeenschap zou kunnen verstoren.

    Divers

    Het Tempelinstituut in Jeruzalem, dat de bouw van een tempel op het tempelplein te Jeruzalem nastreeft, kondigde op 12 juli 2015 aan dat het in Israël een kudde rode koeien wil fokken, om volkomen exemplaren te verkrijgen die voldoen aan de bijbelse vereisten. Men ziet dit als een belangrijke stap op weg naar de herbouw van de tempel. Hieronder een video van het instituut uit 2014 over de rode vaars. 

     

    Bron

    H.R., De roode vaars, in: Bode des heils in Christus, jaargang 31 (1888). Tekst hiervan is verwerkt op 13 juli 2015.

    Voetnoten

    1. ↑ Art. Vaars. Microsoft® Encarta® Winkler Prins 2007 [cd]. Redmond, WA: Microsoft Corporation, 2006. 

    Van Dale Online (2010) heeft “jonge koe tot ca. twee jaar”. Van Dale 1961 heeft 1) jonge koe van ongeveer 2 jaar die nog niet of voor de eerste maal gekalfd heeft, 2) kalf van het vrouwelijk geslacht, jonge vaars. 

    Wikipedia (2010) heeft “een jonge koe die nog niet gekalfd heeft.” 

    Petrus Weiland, Kunstwoordenboek (1821) heeft “jonge koe, reeds voor bevruchting vatbaar, maar die nog nooit bevrucht is geweest” . 
    Zie Petrus Weiland, Kunstwoordenboek, of: Verklaring van allerhande vreemde woorden, benamingen, gezegden en spreekwijzen, die, uit verscheidene talen ontleend, in de zamenleving en in geschriften, betreffende alle vakken van kunsten, wetenschappen en geleerdheid voorkomen, s.v. Rund. Jaar van uitgave: 1821. 
    http://books.google.nl/books?id=FatJAAAAMAAJ 

    Peter Jacob Harrebomée. Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal (1861), heeft: “een jonge koe die nog niet gekalfd heeft” .
    Zie Peter Jacob Harrebomée, Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal: of, Verzameling van Nederlandsche spreekwoorden en spreckwoordelijke uitdrukkingen van broegeren en lateren tijd, Volume 2. 1861.
    http://books.google.nl/books?id=VD5XAAAAMAAJ 

    Labels: (Bewerk labels)
    • Geen labels
     
    Reacties (0)
    U moet inloggen om een reactie te geven.

     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.