Juda (zoon van Jacob)

Van $1

    Inhoudsopgave
    1. 1. Bronnen

    Versie vanaf 02:17, 6 apr 2020

    Terug naar deze versie.

    Terug naar Versie archief.

    Bekijk huidige versie

    Juda (Eng. Judah) was de vierde zoon van Jacob, uit diens huwelijk met Lea, Gen. 29 : 35. Hij is het hoofd van de stam met zijn naam. Uit hem is koning David en de Messias Jezus gesproten. 

    De naam 'Juda' betekent 'lof'. 

    Het was Juda, die zijn broers raadde om Jozef te verkopen in plaats van diens leven te nemen. Juda's nakomelingen, de Joden, hun broeder naar het vlees Jezus - voorafgebeeld door Jozef - in de handen van heidenen overgeleverd.

    Juda zondigde in de zaak van zijn schoondochter Thamar. Hij was gereed om haar te straffen totdat bleek dat ook hijzelf schuldig was. Naar de verkiezing der genade echter werd hij de erfgenaam der belofte, uit hem zou de Christus geboren worden; niet om Juda's uitnemendheid boven anderen - nog zeer jong huwde hij reeds een Kanaänietisch meisje, Gen. 38: 1-5; op rijperen leeftijd bedreef hij bloedschande met Thamar, zijn schoondochter, Gen. 38 : 13 v. - maar krachtens Gods vrijmachtige beschikking, Gen. 49 : 8 v., vgl. Ps. 78 : 68. 

    Hoewel Juda niet de oudste zoon was, begon hij een vooraanstaande plaats in de familie van Jacob in te nemen. Hij was in staat om zijn vader te overtuigen diens jongste zoon Benjamin mee te laten gaan naar Egypte. Juda pleitte voor het aangezicht van de Egyptische onderkoning (Jozef).

    Toen Jakob aan het eind van leven zijn zonen zegende, kwam uit zijn voorzeggingen naar voren dat de koninklijke lijn via Juda zou lopen. "De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen." (Gen. 49:10)

    Ge 49:8  Juda, jij bent het, jou zullen je broers loven! Je hand zal rusten op de nek van je vijanden; voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
    Ge 49:9 Juda is een leeuwenwelp; van [je] prooi ben je opgestaan, mijn zoon. Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan? 
    Ge 49:10 De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen. 
    Ge 49:11 Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok; hij wast zijn kleren in wijn en zijn gewaad in druivenbloed. 

    Ge 49:12 Zijn ogen zijn donker door de wijn en zijn tanden wit door de melk.
    (HSV)

    Juda kreeg drie zonen: Er, Onan en Sela; de eerste beide stierven kinderloos, Gen. 38: 6 v; zijn talrijke nakomelingschap dankt hij aan Sela, Num. 26 : 20, en aan Perez en Zera, uit zijn omgang met Thamar geboren, Gen. 38 : 29, 30, 1 Kron. 2: 5.

    Uit Juda sproot David de koning, met een lange reeks opvolgers. Christus, geboren uit de stam van Juda, wordt aangeduid als "de Leeuw uit de stam van Juda" (Opb. 5:5). 

    Bronnen

    Christelijke Encyclopaedie voor het Nederlandsche Volk s.v. Juda. Kampen: Kok, 1925. Tekst hiervan is verwerkt op 16 mrt 2011. 

    A New and Concise Bible Dictionary (George Morris, 1899) s.v. Judah. Hieruit is op 4 april 2013 tekst genomen, vertaald en verwerkt.

     
     


     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.