Deze pagina kan niet worden bewerkt.

Kruistochten

Van $1

    Inhoudsopgave
    naar de oudere versie of keer terug naar versie archief

    Gecombineerde revisie vergelijking

    Vergelijken van de versie aangepast op 18:41, 1 jan 2016 door Kees Langeveld met versie huidige aangepast op 11:00, 11 jun 2018 door Kees Langeveld.

    ...


    Oorzaak

    Bedevaarten naar het heilige graf en Jeruzalem waren, sinds keizerin Helena (c. 248 - c. 329) daar geweest was, in aantal steeds toegenomen. De Arabieren, die sedert de 7e eeuw bezitters van Jeruzalem waren, begunstigden die bedevaarten, omdat ze geld en vreemde goederen in het land brachten. Zij vergunden aan de pelgrims kerken te bouwen, en zelfs een hospitaal ter ere van Johannes de Doper. 

    Sinds echter het heilige land in de 10e eeuw onder het gezag der Fatimiden (909-1171) kwam, begon de verdrukking van de bedevaartgangers. 

    Reeds sinds ongeveer 950 hadden de vrome pelgrims, die naar de gewijde plaatsen van de Christenheid in het Heilige Land ter bedevaart trokken, bitter te lijden van de lijden van de aanvallen der 'Muzelmannen' (moslims), doch eerst tegen het einde van de 11e eeuw namen de mishandelingen en plunderingen ontzaglijke afmetingen aan. 

    De Fatimidische kalief al-Hakim (985-1021), die regeerde van 996 tot 1021, verbood de Christelijke godsdienst. In 1009 werd de Heilig-Grafkerk in Jeruzalem door hem verwoest. Zowel van christelijke als islamitische zijde werd daarop met grote verontwaardiging gereageerd. Voor de moslims is Jezus (‘Isa' genoemd in de Koran) immers een belangrijk profeet. De opvolger van al-Hakim beloofde wederopbouw toe te staan. Die werd in 1048 voltooid. 

    De ellende werd groter, toen in 1076 de Seldsjoekken zich meester maakten van Jeruzalem en het heilige graf. 

    De pelgrims brachten in Europa berichten omtrent de wrede bejegening, welke zij in Jeruzalem ondervonden hadden en bovenal omtrent de heiligschennis, welke gepleegd werd aan de gewijde plaatsen.

    Uit de beschrijvingen van de Spanjaard Ibn al-Arabi (1092) krijgen we van het toenmalige Jeruzalem een vredige indruk. Het blijkt een centrum waar Joden, christenen en moslims elkaar ontmoeten en vreedzaam samenwonen. Er is verdraagzaamheid tussen de diverse godsdienstige stromingen. Een jaar later (1093) schetst de islamitische kroniekschrijver, al-Azami, een heel andere werkelijkheid. Hij maakt melding van onlusten en strijd tussen christenen en moslims. Moslims namen kerken in bezit en joegen christenen weg. Jeruzalem, ‘de Stad van God op aarde', werd door moslims bezet. 

    De Christenen in het Westen namen eindelijk het besluit, om hun broeders te hulp te komen en het heilige land aan de handen van de Mohammedanen te ontrukken.

    Dit voornemen werd door de pausen toegejuicht. Reeds paus Sylvester II, die pauselijke zetel bekleedde van 999 -1003, koesterde het plan, om Jeruzalem en Palestina te veroveren. Ook Gregorius VII, die paus was van 1073 - 1085, had het denkbeeld geopperd om het heilige land te bevrijden van de ongelovigen, het Christendom zodoende uit te breiden en de Griekse kerk in te lijven bij de Rooms-Katholieke. Gaarne zou Gregorius de Duitse koning/keizer Hendrik IV (regeerde 1056-1105) aan het hoofd van een machtig leger naar het Oosten gezonden hebben, maar zijn voortdurende twist met deze keizer maakte de uitvoering van dit plan onmogelijk.  

    In 1094 keerde Peter van Amiens, bijgenaamd Peter de kluizenaar, van een pelgrimstocht naar Palestina terug. Met smeekschriften van de patriarch Simeon van Jeruzalem keerde hij terug. Hij ging naar Urbanus II (paus van 1088-1099) en deelde aan deze mee, hoe deerniswaardig de toestand van de christenen in het Oosten was. De paus was diep onder de indruk van Peters woorden en gaf hem de raad, vorsten en onderdanen voor een kruistocht te winnen. 

    Op een ezel gezeten, doorreisde Peter Italië en Frankrijk, om op te wekken tot de oorlog tegen de vijanden van het kruis. "Gordt uw zwaard aan uw zijde, christenen", zo riep hij met steeds diepere ernst, "want de heidenen hebben Jacobs erfdeel ingenomen". 

    Al meer dan een halve eeuw was de lucht in West-Europa vol van geruchten over de aanstaande verovering van het Heilige Land door een eensgezinden opmars van een ontzaglijk internationaal leger en toen Peter van Amiëns zijn propagandatocht door Italië en Frankrijk aanving, viel het hem niet moeilijk de gemoederen in geestdrift te doen ontvlammen. De verhalen over het schenden van het Heilige Graf deden nog steeds de ronde in Europa, ook al had een islamitische vorst het al in 1048 laten herstellen. De vrome aspiraties van de massa van het volk, de oorlogzuchtige geest van de adel, de algemeen verspreide zucht naar avonturen, waardoor zich voornamelijk de Noormannen in Italië onderscheidden en niet het minst de hoop van de vazallen en lijfeigenen, om zich van het juk der adellijken te ontslaan - dat alles werkte mee om Peters woord ingang te verschaffen. 

    De kerk maakte de kruistochten zeer ‘aantrekkelijk'. Door op pelgrims- of kruistocht te gaan, werd boete gedaan met als gevolg de vergeving van zonden. De strijders genoten op hun gevaarlijke tocht zelfs de persoonlijke bescherming van de paus. Tot de privileges behoorde de bescherming van hun achtergelaten familie en bezittingen. Natuurlijk onderwierpen de ridders zich, door het afleggen van de kruisvaartgelofte, wel aan de kerk en dus ook aan de paus.

    In maart 1095 werd een grote vergadering gehouden te Piacenza, waar een grote menigte bijval betuigde met het plan van Peter en in november van datzelfde jaar werd te Clermont een tweede vergadering gehouden, waar het woord van Urbanus II zo insloeg, dat allen uitriepen: “God wil het!” 

    Vanaf augustus 1095 trok paus Urbanus II een jaar lang te paard door Frankrijk. Vergezeld van een groot gevolg (o.a. soldaten en bisschoppen) legde hij 3000 km af. Overal vuurde hij de gelovigen aan het zwaard op te nemen en nam hij persoonlijk kruisvaartgeloftes af.

    Op het genoemde concilie van Clermont in november 1095 werden de voorschriften voor de kruistocht vastgelegd en de ‘oorlogsverklaring' getekend. Urbanus, die zei uit Christus' naam te spreken, introduceerde het kruis als symbool van de gelofte. Daarbij werd verwezen naar het bijbelgedeelte in Lukas 14:27: "En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn". Die aan de kruistocht deel wilden nemen, ontvingen een rood kruis op de rechterschouder. Getooid met vaandels, schilden en het kruis togen de ‘ridders van Christus' ten strijde.

    ...

    Andere wijzigingen:

    1. /body/p[71]/span[2]/a/@class: " external""external"

    Versie van 18:41, 1 jan 2016

    Deze revisie is aangepast door Kees Langeveld (Ban)

    ...


    Oorzaak

    Bedevaarten naar het heilige graf en Jeruzalem waren, sinds keizerin Helena (c. 248 - c. 329) daar geweest was, in aantal steeds toegenomen. De Arabieren, die sedert de 7e eeuw bezitters van Jeruzalem waren, begunstigden die bedevaarten, omdat ze geld en vreemde goederen in het land brachten. Zij vergunden aan de pelgrims kerken te bouwen, en zelfs een hospitaal ter ere van Johannes de Doper. 

    Sinds echter het heilige land in de 10e eeuw onder het gezag der Fatimiden (909-1171) kwam, begon de verdrukking van de bedevaartgangers. 

    Reeds sinds ongeveer 950 hadden de vrome pelgrims, die naar de gewijde plaatsen van de Christenheid in het Heilige Land ter bedevaart trokken, bitter te lijden van de lijden van de aanvallen der 'Muzelmannen' (moslims), doch eerst tegen het einde van de 11e eeuw namen de mishandelingen en plunderingen ontzaglijke afmetingen aan. 

    De Fatimidische kalief al-Hakim (985-1021), die regeerde van 996 tot 1021, verbood de Christelijke godsdienst. In 1009 werd de Heilig-Grafkerk in Jeruzalem door hem verwoest. Zowel van christelijke als islamitische zijde werd daarop met grote verontwaardiging gereageerd. Voor de moslims is Jezus (‘Isa' genoemd in de Koran) immers een belangrijk profeet. De opvolger van al-Hakim beloofde wederopbouw toe te staan. Die werd in 1048 voltooid. 

    De ellende werd groter, toen in 1076 de Seldsjoekken zich meester maakten van Jeruzalem en het heilige graf. 

    De pelgrims brachten in Europa berichten omtrent de wrede bejegening, welke zij in Jeruzalem ondervonden hadden en bovenal omtrent de heiligschennis, welke gepleegd werd aan de gewijde plaatsen.

    Uit de beschrijvingen van de Spanjaard Ibn al-Arabi (1092) krijgen we van het toenmalige Jeruzalem een vredige indruk. Het blijkt een centrum waar Joden, christenen en moslims elkaar ontmoeten en vreedzaam samenwonen. Er is verdraagzaamheid tussen de diverse godsdienstige stromingen. Een jaar later (1093) schetst de islamitische kroniekschrijver, al-Azami, een heel andere werkelijkheid. Hij maakt melding van onlusten en strijd tussen christenen en moslims. Moslims namen kerken in bezit en joegen christenen weg. Jeruzalem, ‘de Stad van God op aarde', werd door moslims bezet. 

    De Christenen in het Westen namen eindelijk het besluit, om hun broeders te hulp te komen en het heilige land aan de handen van de Mohammedanen te ontrukken.

    Dit voornemen werd door de pausen toegejuicht. Reeds paus Sylvester II, die pauselijke zetel bekleedde van 999 -1003, koesterde het plan, om Jeruzalem en Palestina te veroveren. Ook Gregorius VII, die paus was van 1073 - 1085, had het denkbeeld geopperd om het heilige land te bevrijden van de ongelovigen, het Christendom zodoende uit te breiden en de Griekse kerk in te lijven bij de Rooms-Katholieke. Gaarne zou Gregorius de Duitse koning/keizer Hendrik IV (regeerde 1056-1105) aan het hoofd van een machtig leger naar het Oosten gezonden hebben, maar zijn voortdurende twist met deze keizer maakte de uitvoering van dit plan onmogelijk.  

    In 1094 keerde Peter van Amiens, bijgenaamd Peter de kluizenaar, van een pelgrimstocht naar Palestina terug. Met smeekschriften van de patriarch Simeon van Jeruzalem keerde hij terug. Hij ging naar Urbanus II (paus van 1088-1099) en deelde aan deze mee, hoe deerniswaardig de toestand van de christenen in het Oosten was. De paus was diep onder de indruk van Peters woorden en gaf hem de raad, vorsten en onderdanen voor een kruistocht te winnen. 

    Op een ezel gezeten, doorreisde Peter Italië en Frankrijk, om op te wekken tot de oorlog tegen de vijanden van het kruis. "Gordt uw zwaard aan uw zijde, christenen", zo riep hij met steeds diepere ernst, "want de heidenen hebben Jacobs erfdeel ingenomen". 

    Al meer dan een halve eeuw was de lucht in West-Europa vol van geruchten over de aanstaande verovering van het Heilige Land door een eensgezinden opmars van een ontzaglijk internationaal leger en toen Peter van Amiëns zijn propagandatocht door Italië en Frankrijk aanving, viel het hem niet moeilijk de gemoederen in geestdrift te doen ontvlammen. De verhalen over het schenden van het Heilige Graf deden nog steeds de ronde in Europa, ook al had een islamitische vorst het al in 1048 laten herstellen. De vrome aspiraties van de massa van het volk, de oorlogzuchtige geest van de adel, de algemeen verspreide zucht naar avonturen, waardoor zich voornamelijk de Noormannen in Italië onderscheidden en niet het minst de hoop van de vazallen en lijfeigenen, om zich van het juk der adellijken te ontslaan - dat alles werkte mee om Peters woord ingang te verschaffen. 

    De kerk maakte de kruistochten zeer ‘aantrekkelijk'. Door op pelgrims- of kruistocht te gaan, werd boete gedaan met als gevolg de vergeving van zonden. De strijders genoten op hun gevaarlijke tocht zelfs de persoonlijke bescherming van de paus. Tot de privileges behoorde de bescherming van hun achtergelaten familie en bezittingen. Natuurlijk onderwierpen de ridders zich, door het afleggen van de kruisvaartgelofte, wel aan de kerk en dus ook aan de paus.

    In maart 1095 werd een grote vergadering gehouden te Piacenza, waar een grote menigte bijval betuigde met het plan van Peter en in november van datzelfde jaar werd te Clermont een tweede vergadering gehouden, waar het woord van Urbanus II zo insloeg, dat allen uitriepen: “God wil het!” 

    Vanaf augustus 1095 trok paus Urbanus II een jaar lang te paard door Frankrijk. Vergezeld van een groot gevolg (o.a. soldaten en bisschoppen) legde hij 3000 km af. Overal vuurde hij de gelovigen aan het zwaard op te nemen en nam hij persoonlijk kruisvaartgeloftes af.

    Op het genoemde concilie van Clermont in november 1095 werden de voorschriften voor de kruistocht vastgelegd en de ‘oorlogsverklaring' getekend. Urbanus, die zei uit Christus' naam te spreken, introduceerde het kruis als symbool van de gelofte. Daarbij werd verwezen naar het bijbelgedeelte in Lukas 14:27: "En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn". Die aan de kruistocht deel wilden nemen, ontvingen een rood kruis op de rechterschouder. Getooid met vaandels, schilden en het kruis togen de ‘ridders van Christus' ten strijde.

    ...

    Huidige versie

    Deze revisie is aangepast door Kees Langeveld (Ban)

    ...


    ...


     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.