Deze pagina kan niet worden bewerkt.

Prehistorie-Nabije Oosten, Europa (1)

Van $1

    Inhoudsopgave
    naar de oudere versie of keer terug naar versie archief

    Gecombineerde revisie vergelijking

    Vergelijken van de versie aangepast op 15:33, 13 feb 2019 door Willem de Visser? met versie huidige aangepast op 15:14, 7 mrt 2019 door Willem de Visser?.

    ...

    De Bijbel beschrijft ons de zondvloed als een wereldomvattende catastrofe (een cataclysme). Gezien haar omvang en intensiteit mag verondersteld worden dat tijdens de vloed wereldwijd de eerste aardlagen zijn ontstaan. We willen haar daarom vergelijken met wat men in de geologie bedoelt met het hoofdtijdperk van het paleozoïcum. De enigen die de vloed overleefden zijn de arkbewoners geweest. Toen het water zakte bleek de ark vast te zitten ergens in het Araratgebergte. Het is goed denkbaar dat met de in de Bijbel genoemde berg Ararat (Gen. 8:4) hetzelfde gebergte wordt bedoeld als heden. Vele andere gebergten uit de regio bestonden nog niet of bevonden zich in een stadium van ontwikkeling. De Ararat als vulkanisch gebergte bestond mogelijk reeds voor de vloed en was voor de arkbewoners herkenbaar. Dankzij dit vast orientatiepunt konden ze de ligging van het verloren paradijs aangeven. Hun bevinding is als een soort getuigenis van het feit dat er een paradijs is geweest. Dit nazondvloedse getuigenis (Genesis 2:11-14) staat als een toelichting bij vers 10. Waarschijnlijk heeft mogelijk Mozes het getuigenis gekend en het bij de samenstelling van het boek Genesis aan vers 10 toegevoegd. Misschien zou ook Mozes zelf vanwege latere geologische gebeurtenissen, waaronder de alpiene gebergtevorming en gebeurtenissen bij de geboorte van Peleg, zelfs met behulp van deze informatie uit Genesis het paradijs niet meer hebben kunnen vindenhebbenkunnenterugvinden.

    ...

    De eerste mensen na de vloed moeten aanvankelijk in de omgeving van de Ararat gewoond hebben en van daar uit groter gebied verkend hebben. Men zal ook keuzes gemaakt hebben tussen verschillende bronnen van bestaan, variërend van sedentair (vaste woonplaats hebbend) tot nomadisch (rondtrekkend met kudden). We zijn van mening dat eveneens in deze periode van 400 jaar families hun bestaan gevonden hebben in de jacht en het verzamelen van voedsel. Zij zijn de eerste verkenners geworden van de uitgestrekte en onbewoonde gebieden in Europa, Azië en Afrika. Daarbij zijn ze voor de 'blijvers' volledig uit beeld geraakt en uit beeld gebleven; over hen hieronder meer.

    ...

    Ongetwijfeld zijn er dus gelijktijdig jagende families richting Europa getrokken. Naar het noorden toe zullen ze gestoten zijn op de Tethyszee. De eerste bewoners in Europa zullen jagers zijn geweest. Ze hebben in het woeste en geologisch onrustige Europa een grote hoeveelheid aan wild (waaronder oerolifanten, paarden en neushoorns) en plantaardig voedsel gevonden. Van hen zijn de gevonden vuistbijlen afkomstig. Hoewel niet altijd duidelijk is of de bijlen door de natuur zelf of door mensenhand gemaakt zijn, zijn andere exemplaren duidelijk door de mens zelf gemaakt. Deze vuistbijlcultuur heeft zich ontwikkeld tot verschillende tradities die zich zelfs waarschijnlijk nog gehandhaafd hebben tot na de alpiene gebergtevorming. De onderscheiden tradities zijn genoemd naar een van hun vindplaatsen. Men onderscheidt onder andere het Abbevillien , het Chelléen en het Acheuléen (naar de plaatsen Abbeville, Chelles bij Parijs en Saint-Acheul in het Sommedal in Frankrijk). In Engeland, Frankrijk, België en Duitsland vond men vuistbijlen die men rekent tot het Clactonien (naar Clacton-on-Sea in Engeland). Te Dmanisi in Zuid Georgië vond men beenderresten van zeer hoge ouderdom. Omdat de jagersgemeenschappen klein en mobiel waren en geïsoleerd van elkaar leefden, hebben ze zich wel gespecialiseerd in jachttechnieken, maar hebben niet het culturele niveau van het neolithicum bereikt. Zij waren de dragers van het vroegpaleolithicum van Europa. De archeologie plaatst de vuistbijlculturen aan het eind van het midden-pleistoceen, tevens het einde van de Riss/Saale ijstijd. Van de gebruikers van deze vuistbijlen zijn weinig beenderresten gevonden. Wel vond men te Swanscombe (aan de Theems) en te Steinheim (aan de Murr in Duitsland) schedelresten van een redelijk modern uiterlijk. Ze leefden hier in Europa reeds voor de komst van de neanderthalermensen en worden gerekend tot de Homo sapiens erectus-mensen (zie over hen het artikel Homo sapiens erectus). Ook bij het Meer van Galilea en het Hulumeer (Ubeidiya en Gesher Benot Ya'aqov) zijn enkele tanden en vooral artefacten (gebruiksvoorwerpen) gevonden van de Homo sapiens erectus (Daaruit blijkt dat hij al jagend via het Midden-Oosten naar het zuiden is getrokken). De dragers van deze vuistblijculturen in Europa en het Midden-Oosten worden gerekend tot het ras van Heidelbergmensen. 

    Opm.: Het is de vraag of de verschillende ijstijden, voorafgaande aan de Würm ijstijd, wel bestaan hebben. De wetenschap heeft algemeen het idee van ijstijden omarmd om daarmee vele opvallende landschappelijke kenmerken te verklaren (kliffen, wallen, duinen of zandverstuivingen, grote stenen). Het zouden gigantische gletsjers zijn geweest, die zich over grote afstanden horizontaal verplaatsten en voor deze landschapselementen verantwoordelijk waren. Rehwinkel heeft er op gewezen dat gletsjers zich zonder de stuwende kracht vanuit de hoger gelegen delen in de bergen niet over grote afstand kunnen bewegen. Ook is hij van mening dat primair gedacht moet worden aan water en niet aan ijs als landschapvormende oorzaak. Het artikel Zondvloed en gebergtevorming laat zien dat het ontstaan van de Alpen gepaard is gegaan met omvangrijke waterverplaatsingen. De mensen van Swanscombe hebben (naar men algemeen beweert) tijdens het Mindel-Riss interglaciaal geleefd (S.J. de Laet). C. Arambourg zegt hierover dat de eerste ijstijden nog steeds weinig verandering aan het warme klimaat hebben gebracht, gelet op de botten die gevonden zijn van olifanten, neushoorns, nijlpaarden, leeuwen en beren, runderen en herten. Ook planten als de vijg, de laurier, rodondendron en de buksboom waren algemeen. We kunnen daarom mogelijk eerder spreken over heftige, kort durende klimaatschommelingen.   

    ...

    Versie van 15:33, 13 feb 2019

    Deze revisie is aangepast door Willem de Visser? (Ban)

    ...

    De Bijbel beschrijft ons de zondvloed als een wereldomvattende catastrofe (een cataclysme). Gezien haar omvang en intensiteit mag verondersteld worden dat tijdens de vloed wereldwijd de eerste aardlagen zijn ontstaan. We willen haar daarom vergelijken met wat men in de geologie bedoelt met het hoofdtijdperk van het paleozoïcum. De enigen die de vloed overleefden zijn de arkbewoners geweest. Toen het water zakte bleek de ark vast te zitten ergens in het Araratgebergte. Het is goed denkbaar dat met de in de Bijbel genoemde berg Ararat (Gen. 8:4) hetzelfde gebergte wordt bedoeld als heden. Vele andere gebergten uit de regio bestonden nog niet of bevonden zich in een stadium van ontwikkeling. De Ararat als vulkanisch gebergte bestond mogelijk reeds voor de vloed en was voor de arkbewoners herkenbaar. Dankzij dit vast orientatiepunt konden ze de ligging van het verloren paradijs aangeven. Hun bevinding is als een soort getuigenis van het feit dat er een paradijs is geweest. Dit nazondvloedse getuigenis (Genesis 2:11-14) staat als een toelichting bij vers 10. Waarschijnlijk heeft mogelijk Mozes het getuigenis gekend en het bij de samenstelling van het boek Genesis aan vers 10 toegevoegd. Misschien zou ook Mozes zelf vanwege latere geologische gebeurtenissen, waaronder de alpiene gebergtevorming en gebeurtenissen bij de geboorte van Peleg, zelfs met behulp van deze informatie uit Genesis het paradijs niet hebben kunnen terugvinden.

    ...

    Huidige versie

    Deze revisie is aangepast door Willem de Visser? (Ban)

    ...

    De Bijbel beschrijft ons de zondvloed als een wereldomvattende catastrofe (een cataclysme). Gezien haar omvang en intensiteit mag verondersteld worden dat tijdens de vloed wereldwijd de eerste aardlagen zijn ontstaan. We willen haar daarom vergelijken met wat men in de geologie bedoelt met het hoofdtijdperk van het paleozoïcum. De enigen die de vloed overleefden zijn de arkbewoners geweest. Toen het water zakte bleek de ark vast te zitten ergens in het Araratgebergte. Het is goed denkbaar dat met de in de Bijbel genoemde berg Ararat (Gen. 8:4) hetzelfde gebergte wordt bedoeld als heden. Vele andere gebergten uit de regio bestonden nog niet of bevonden zich in een stadium van ontwikkeling. De Ararat als vulkanisch gebergte bestond mogelijk reeds voor de vloed en was voor de arkbewoners herkenbaar. Dankzij dit vast orientatiepunt konden ze de ligging van het verloren paradijs aangeven. Hun bevinding is als een soort getuigenis van het feit dat er een paradijs is geweest. Dit nazondvloedse getuigenis (Genesis 2:11-14) staat als een toelichting bij vers 10. Waarschijnlijk heeft mogelijk Mozes het getuigenis gekend en het bij de samenstelling van het boek Genesis aan vers 10 toegevoegd. Misschien zou ook Mozes zelf vanwege latere geologische gebeurtenissen, waaronder de alpiene gebergtevorming en gebeurtenissen bij de geboorte van Peleg, zelfs met behulp van deze informatie uit Genesis het paradijs niet meer hebben kunnen vinden.

    ...

    De eerste mensen na de vloed moeten aanvankelijk in de omgeving van de Ararat gewoond hebben en van daar uit groter gebied verkend hebben. Men zal ook keuzes gemaakt hebben tussen verschillende bronnen van bestaan, variërend van sedentair (vaste woonplaats hebbend) tot nomadisch (rondtrekkend met kudden). We zijn van mening dat eveneens in deze periode van 400 jaar families hun bestaan gevonden hebben in de jacht en het verzamelen van voedsel. Zij zijn de eerste verkenners geworden van de uitgestrekte en onbewoonde gebieden in Europa, Azië en Afrika. Daarbij zijn ze voor de 'blijvers' volledig uit beeld geraakt en uit beeld gebleven; over hen hieronder meer.

    ...

    Ongetwijfeld zijn er dus gelijktijdig jagende families richting Europa getrokken. Naar het noorden toe zullen ze gestoten zijn op de Tethyszee. De eerste bewoners in Europa zullen jagers zijn geweest. Ze hebben in het woeste en geologisch onrustige Europa een grote hoeveelheid aan wild (waaronder oerolifanten, paarden en neushoorns) en plantaardig voedsel gevonden. Van hen zijn de gevonden vuistbijlen afkomstig. Hoewel niet altijd duidelijk is of de bijlen door de natuur zelf of door mensenhand gemaakt zijn, zijn andere exemplaren duidelijk door de mens zelf gemaakt. Deze vuistbijlcultuur heeft zich ontwikkeld tot verschillende tradities die zich zelfs waarschijnlijk nog gehandhaafd hebben tot na de alpiene gebergtevorming. De onderscheiden tradities zijn genoemd naar een van hun vindplaatsen. Men onderscheidt onder andere het Abbevillien , het Chelléen en het Acheuléen (naar de plaatsen Abbeville, Chelles bij Parijs en Saint-Acheul in het Sommedal in Frankrijk). In Engeland, Frankrijk, België en Duitsland vond men vuistbijlen die men rekent tot het Clactonien (naar Clacton-on-Sea in Engeland). Te Dmanisi in Zuid Georgië vond men beenderresten van zeer hoge ouderdom. Omdat de jagersgemeenschappen klein en mobiel waren en geïsoleerd van elkaar leefden, hebben ze zich wel gespecialiseerd in jachttechnieken, maar hebben niet het culturele niveau van het neolithicum bereikt. Zij waren de dragers van het vroegpaleolithicum van Europa. De archeologie plaatst de vuistbijlculturen aan het eind van het midden-pleistoceen, tevens het einde van de Riss/Saale ijstijd. Van de gebruikers van deze vuistbijlen zijn weinig beenderresten gevonden. Wel vond men te Swanscombe (aan de Theems) en te Steinheim (aan de Murr in Duitsland) schedelresten van een redelijk modern uiterlijk. Ze leefden hier in Europa reeds voor de komst van de neanderthalermensen en worden gerekend tot de Homo sapiens erectus-mensen (zie over hen het artikel Homo sapiens erectus). Ook bij het Meer van Galilea en het Hulumeer (Ubeidiya en Gesher Benot Ya'aqov) zijn enkele tanden en vooral artefacten (gebruiksvoorwerpen) gevonden van de Homo sapiens erectus (Daaruit blijkt dat hij al jagend via het Midden-Oosten naar het zuiden is getrokken). De dragers van deze vuistblijculturen in Europa en het Midden-Oosten worden gerekend tot het ras van Heidelbergmensen. 

    Opm.: Het is de vraag of de verschillende ijstijden, voorafgaande aan de Würm ijstijd, wel bestaan hebben. De wetenschap heeft algemeen het idee van ijstijden omarmd om daarmee vele opvallende landschappelijke kenmerken te verklaren (kliffen, wallen, duinen of zandverstuivingen, grote stenen). Het zouden gigantische gletsjers zijn geweest, die zich over grote afstanden horizontaal verplaatsten en voor deze landschapselementen verantwoordelijk waren. Rehwinkel heeft er op gewezen dat gletsjers zich zonder de stuwende kracht vanuit de hoger gelegen delen in de bergen niet over grote afstand kunnen bewegen. Ook is hij van mening dat primair gedacht moet worden aan water en niet aan ijs als landschapvormende oorzaak. Het artikel Zondvloed en gebergtevorming laat zien dat het ontstaan van de Alpen gepaard is gegaan met omvangrijke waterverplaatsingen. De mensen van Swanscombe hebben (naar men algemeen beweert) tijdens het Mindel-Riss interglaciaal geleefd (S.J. de Laet). C. Arambourg zegt hierover dat de eerste ijstijden nog steeds weinig verandering aan het warme klimaat hebben gebracht, gelet op de botten die gevonden zijn van olifanten, neushoorns, nijlpaarden, leeuwen en beren, runderen en herten. Ook planten als de vijg, de laurier, rodondendron en de buksboom waren algemeen. We kunnen daarom mogelijk eerder spreken over heftige, kort durende klimaatschommelingen.   

    ...


     
    Powered by MindTouch Core
    Verrijk Christipedia door informatie toe te voegen.
    Help mee de tekst te verbeteren. Zie Meedoen.