Gastvrijheid

Uit Christipedia

Gastvrijheid betekent[1]:

  1. gulheid in het onthalen of herbergen van gasten; synoniem: hospitaliteit;
  2. en/of het opnemen, resp. opgenomen-worden als gast. Zo spreken wij van 'gastvrijheid aanbieden' 'gastvrijheid bewijzen', 'gastvrijheid genieten', 'gastvrijheid verlenen'. Synoniem: herbergzaamheid.

Geval

Een oudtestamentisch geval van gastvrijheid is dat van de rechtvaardige Lot, die in Sodom engelen gastvrij ontving zonder dat hij wist dat zij engelen waren.

Twee mannen (engelen) ontmoeten Lot, die in de poort van Sodom zit.

Ge 19:1 De twee engelen kwamen ‘s avonds in Sodom aan, terwijl Lot in de poort van Sodom zat. Toen Lot [hen] zag, stond hij op om hun tegemoet te gaan, en boog hij zich met [zijn] gezicht ter aarde. Ge 19:2  Hij zei: Zie toch, mijne heren, wijk toch af [van uw weg en kom] naar het huis van uw dienaar en overnacht [daar] en was uw voeten; [morgen]vroeg kunt u opstaan en uw reis vervolgen. Maar zij zeiden: Nee, wij zullen wel op het plein overnachten.  Ge 19:3  Hij drong echter sterk bij hen aan, zodat zij [van hun weg] afweken naar hem toe, en zijn huis binnengingen. Hij richtte een maaltijd voor hen aan. Hij bakte ongezuurde [broden] en zij aten. (HSV)

De schrijver van de brief van de Hebreeën herinnert aan Lots gastvrijheid.

Heb 13:2  Vergeet de gastvrijheid niet, want daardoor hebben sommigen onwetend engelen gehuisvest. (Telos)

Bijbels gevallen van gastvrijheid in het Nieuwe Testament verhaalt Lukas in zijn boek Handelingen. Lydia de purperverkoopster was gastvrij voor Paulus en Silas.

Handelingen 16: 15 Toen zij nu was gedoopt en haar huis, verzocht zij ons aldus: Als u van oordeel bent dat ik de Heer trouw ben, komt dan in mijn huis en blijft er. En zij drong er bij ons op aan.

Op het eiland Malta werd aan Lukas, Paulus en andere schipbreukelingen vriendelijk gastvrijheid verleend:

Hnd 28:7  In de omgeving van die plaats nu had de voornaamste van het eiland, genaamd Publius, landerijen. Deze ontving ons en verleende ons drie dagen vriendelijk gastvrijheid. (Telos)

Een weduwe verdient ondersteuning als zij die waardig is, onder meer doordat zij gastvrijheid heeft bewezen.

1Ti 5:9  Laat een weduwe worden ingeschreven als zij niet minder dan zestig jaar oud is, de vrouw van een man is geweest Ti 5:10  en getuigenis heeft door haar goede werken: als zij kinderen opgevoed, als zij gastvrijheid bewezen, als zij de voeten van heiligen gewassen, als zij aan verdrukten hulp verleend, als zij zich op alle goed werk toegelegd heeft. (Telos)

Plicht

Het is een christelijke plicht om zich toe te leggen op gastvrijheid.

Ro 12:13  Deelt mee voor de behoeften van de heiligen; legt u toe op de gastvrijheid. (Telos)

Heb 13:2  Vergeet de gastvrijheid niet, want daardoor hebben sommigen onwetend engelen gehuisvest. (Telos)

Een lastige gast

De Amerikaanse predikant T. de Witt Talmage (1832-1902) schreef het volgende over de lastige gast en logé[2]:

Als de apostel zegt: „Weest herbergzaam", dan ligt daarin opgesloten, dat er hindernissen zijn op deze weg. De eerste beproeving ontstaat dikwijls uit de nukken en de excentriciteit van de gast zelf. Daar zijn vele uitnemende lui, maar die niets weten in te schikken, die scherp zijn als een mes, en geestelijk gebocheld zijn, en die zo een bezoeking zijn in elk huis, waar zij komen logeren. Na korte kennismaking beginnen zij reeds te zeggen, dat zij het zus of zo willen hebben; begennen zij reeds de dienstboden tot allerlei ongewone diensten te gebruiken; de uren van eten en drinken in de war te brengen; met tabakswalm prikkelbare reukorganen lastig te vallen; hun laarzen op fijngewerkte tafelpoten te zetten; de as van hun sigaar op het kostbaar tapijt te laten vallen; bureaus te openen, waar zij met de ogen niet in mogen zitten; zich niet aan een morgenbel te storen, en op honderd manieren het huisgezin verdriet te doen, dat zich voorgenomen heeft hun genoegen te doen. 

Waar bovenal bij komt, dat zij te lang blijven. Zij hebben er geen idee van, wanneer het welkom eens eindelijk uit is, en zij blijven zelfs onaangedaan bij een vriendelijk gebed, zooals mijn vriend George Smith, filantroop, eens uitsprak aan het ontbijt, toen hij hartelijk wenste dat zijn nimmer vertrekkende logé's eens eindelijk mochten heengaan: „ O Heer! zegen deze spijzen, en onze vrienden, die heden van ons weggaan!" 

Maar dit alles neemt niet weg, dat u misschien nog ongelijk hebt, er u aan te ergeren. Misschien hebben zij niet dezelfde beschavende invloeden gehad in hun vroeger leven, die u gehad hebt. Misschien hebben zij die excentrieke dingen overgeërfd, en dat vermindert hun schuld. Misschien is het uw plicht, om, als een voorbeeld, hun een betere weg te wijzen. Misschien zijn zij u als een beproeving gezonden, om lijdzaamheid te werken, en uw geduld te ontwikkelen. Misschien doen zij dienst als negatieve opvoedingsmiddelen bij uw kinderen, als illustratie van datgene waartegen u uw kinderen waarschuwt. Misschien is het, om u te laten voelen, als zij weggegaan zijn, hoe heerlijk en gelukkig uw thuis is. 

Als onze gasten aardig zijn, en vrolijk en beschaafd, dan is het zeer gemakkelijk om hen bezig te houden. Maar als wij dat in onze gasten vinden, wat geheel tegen onze smaak en ons gevoel indruist, dan is het een bepaalde overwinning, als wij ons best doen om de les te betrachte: „Weest herbergzaam."

Voetnoten

  1. Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal (13e uitgave), digitale versie 1.0 Plus, jaar 2000.
  2. T. de Witt Talmage, Spranken (Utrecht: C.H.E. Breijer, 1892), blz. 33-34. Voor Christipedia is de spelling en/of de taal van het citaat gemoderniseerd.